1756

11 november 2019

Dit boek is bestemd voor de rustige lezers, voor mensen die nog niet worden meegesleurd door de duizelingwekkende vaart van ons voortrollend tijdperk en die er nog geen afgodisch genoegen in scheppen, door de raderen van die tijd te worden fijngemalen —, dat wil zeggen voor weinig mensen! Maar deze mensen kunnen er niet aan wennen de waarde der dingen af te meten aan de tijdsbesparing of tijdverspilling, zij 'hebben tijd'; hun is het nog vergund, zonder zichzelf met verwijten te overladen, de goede uren van de dag en hun vruchtbare en krachtige momenten uit te kiezen en te vergaren om over de toekomst (...) na te denken, zij mogen zelfs geloven hun dag op een waarlijk nuttige en waardige wijze te hebben doorgebracht, namelijk in meditatio generis futuri [beschouwingen over de aard van de toekomst]. Zo iemand heeft het denken nog niet verleerd terwijl hij leest, hij verstaat de geheime kunst tussen de regels door te lezen, hij is zelfs zo verspillend van aard dat hij bovendien nog over het gelezene nadenkt, wellicht nog lang nadat hij het boek uit handen heeft gelegd. En dat niet om een recensie of weer een boek te schrijven, maar enkel en alleen om na te denken! (...) Hij die rustig en onbekommerd genoeg is om samen met de auteur een lange weg te gaan, waarvan een veel latere generatie pas de doeleinden in volle duidelijkheid te zien zal krijgen! Als de lezer daarentegen, hevig geagiteerd, meteen opspringt om de daad bij het woord te voegen, als hij van het ogenblik de vruchten wil plukken die hele geslachten zelfs met de grootste moeite nauwelijks konden verwerven, dan valt te vrezen dat hij de auteur niet heeft begrepen.

Friedrich Nietzsche Waarheid en leugen, 106-107

1755

7 november 2019

Léon-Augustin Lhermitte (1844-1925)
La Petite Bretonne

1754

28 oktober 2019

Hoeveel aantrekkelijke kanten een (grote) stad onmiskenbaar ook heeft, voor mij zelf is de supergrote stad, althans om er te wonen, een verschrikking. Nee, ik kan me niet erg 'welkom in megapolis' voelen – om de titel van een recent boek over de stad te citeren. Ik betreur het dat de hele aarde langzaam bedekt raakt met steden, alsof een wereld van steen, beton, asfalt en glas de normale huid van onze planeet is. Maar voorbij elke stad bestaan nog steeds de oceanen, de bergen, de bossen en velden. En zelfs de grootste megalopolis is slechts een zandkorrel in de immensiteit van de kosmos. Het lijkt me dan ook nodig om een perspectief in te nemen boven en buiten de stad, om te beseffen dat ook het rijk van de moderne mens nog deel uitmaakt van het rijk van de aarde, ook al zijn we geneigd dat te vergeten. Slenteren en flaneren in de straten van de stad – hoe boeiend dat ook mag zijn – mag ons niet doen vergeten dat er ook nog zoveel te wandelen, te leren, te bewonderen en te genieten valt buiten de stad.

Ton Lemaire Met lichte tred. De wereld van de wandelaar, 133

1753

26 oktober 2019

Voor velen is de auto een soort verlengstuk van het lijf geworden, dat ongemerkt ook hun verhouding tot tijd en ruimte heeft beïnvloed.
Ton Lemaire Met lichte tred. De wereld van de wandelaar, 190

Of die andere merkwaardige uitvinding: de bladblazer, die weinig meer doet dan wat voorheen iemand met een bladhark of bezem in ongeveer in dezelfde tijd kon doen, maar nu mechanisch – en gepaard gaande met stank en lawaai maar wel met het prestige van het apparaat.
Ton Lemaire Met lichte tred. De wereld van de wandelaar, 191

Want de enige activiteit die het kan opnemen tegen de cultus van snelheid en gemak is die van het kopen en verkopen.
Ton Lemaire Met lichte tred. De wereld van de wandelaar, 193

Zowel de stilte als het af en toe alleen zijn is wezenlijk voor de vorming van een volwassen en harmonisch ontwikkelde persoonlijkheid in het algemeen.
Ton Lemaire Met lichte tred. De wereld van de wandelaar, 209

Het lijkt natuurlijk een vreemde onderneming dat men de wereld intrekt om alleen te willen blijven.
Johann Wolfgang von Goethe Italiaanse reis, 191

1752

25 oktober 2019

Maar verdienste is er alleen als je de moeilijkheden overwint; niet als alles eenvoudig en gemakkelijk is, nietwaar?
Luigi Pirandello In stilte. Novellen voor een jaar, 506

De autonomie van het zichzelf denkende bewustzijn is een illusie, een geval van zelfoverschatting van de rationaliteit die meent voor zichzelf transparant te zijn, maar vergeet dat het lijf allang een omgang had met de wereld, die ouder en dieper is dan het denken en als vanzelfsprekend geldt en daardoor niet doordacht is.
Ton Lemaire Met lichte tred. De wereld van de wandelaar, 87

De moderne tijd wordt geïnspireerd door een idee dat zijn ontstaan te danken heeft aan een transformatie van de christelijke heilsgeschiedenis in een wereldgeschiedenis, en die zou worden beheerst door de Vooruitgang naar een stralende toekomst, in groot vertrouwen op de zelfverwerkelijking van de mens in de context van een onverschillig universum.
Ton Lemaire Met lichte tred. De wereld van de wandelaar, 101

Op plekken die gefrequenteerd worden door het massatoerisme lijkt het wel of een zwerm sprinkhanen komt neerstrijken, rondgraast en verdwijnt.
Ton Lemaire Met lichte tred. De wereld van de wandelaar, 148

De enige radicale oplossing van het dilemma bestaat mijns inziens daarin dat het toerisme zichzelf opheft: een authentieke toerist blijft gewoon thuis.
Ton Lemaire Met lichte tred. De wereld van de wandelaar, 151

1751

21 oktober 2019

In de een of andere uithoek van het in talloze zonnestelsels flonkerend uitgegoten heelal was eens een planeet waar schrandere dieren het kennen uitvonden. Dat was de meest hoogmoedige en leugenachtige minuut van de 'wereldgeschiedenis', maar toch niet meer dan een minuut. Na enkele ademtochten van de natuur verstarde de planeet en de schrandere dieren moesten sterven. — Zo zou iemand een fabel kunnen verzinnen, en toch zou hij hiermee niet voldoende geïllustreerd hebben hoe beklagenswaardig, schimmig en vluchtig, hoe doelloos en willekeurig het menselijk intellect binnen de natuur aandoet; er zijn eeuwigheden geweest dat het er niet was; als het er weer mee gedaan is, zal er niets voorgevallen zijn.

Friedrich Nietzsche Waarheid en leugen, 7

Zo begint Friedrich Nietzsche het essay Over waarheid en leugen in buitenmorele zin, een essay dat hij nooit gepubliceerd heeft. Hij dicteerde het aan zijn vriend Carl von Gersdorff in juni 1873, het jaar dat volgde op de onrust en schandaal rond zijn eerste boek De geboorte van de tragedie. De bovenstaande passage komt in iets andere formulering al voor in Over het pathos der waarheid, het eerste deeltje van de prachtige titel Vijf voorwoorden voor vijf ongeschreven boeken. Dit laatste was een kerstgeschenk aan Cosima Wagner (de vrouw van de componist Richard Wagner) die al blij was dat het geschenk in ieder geval geen muzikale compositie was. Ook de Vijf voorwoorden bleven ongepubliceerd.

Heel origineel was Nietzsche niet, want de filosoof die hij in deze tijd samen met Richard Wagner bewonderde, was Arthur Schopenhauer en die begon zijn aanvullingen op zijn De wereld als wil en voorstelling als volgt: In de oneindige ruimte talloze lichtgevende bollen, om elke waarvan zo'n dozijn kleinere cirkelen, door de grote verlicht; ze zijn van binnen heet en overtrokken met een gestolde, afgekoelde korst; op deze korst heeft een schimmellaag levende en kennende wezens voortgebracht — dit is de empirische waarheid, de realiteit, de wereld (Arthur Schopenhauer De wereld als wil en voorstelling. Deel 2, 13).

Waarom Nietzsche deze kleine werken niet publiceerde weet ik niet. Nietzsche schreef vaker alleen voor vrienden en zijn bij leven uitgegeven werk was vaak bedoeld voor vrienden in ruimere zin, voor vrije geesten. Soms was Nietzsche bezorgd over het effect dat zijn boeken zouden hebben, een overdreven bezorgdheid, omdat zijn boeken bijna niet gelezen werden. Zo gaf hij het vierde deel van Zarathustra in eigen beheer uit en mochten alleen vrienden het lezen die het vervolgens geheim moesten houden.

Een andere mogelijkheid is, dat deze essays slechts probeersels zijn, voorstadia voor later werk. Of er is sprake van een begin van een werkwijze die later duidelijker over het voetlicht zal treden. De indeling van zijn 'boeken' krijgt iets willekeurigs, eerder is er sprake van een voortdurende onderlinge dialoog. Nietzsche vulde eerder uitgegeven boeken aan met nieuwe hoofdstukken, maar als die aanvullingen uit hun voegen groeiden, werden ze samengebracht in een nieuw boek. Zijn boeken lopen in elkaar over, het zijn veelal geen absoluut afgeronde zelfstandige werken. Ondertussen bleven veel fragmenten op de plank liggen, omdat hij alweer verder was.

Over waarheid en leugen bevat een aantal passages waarin ik me erg kan vinden. Het bevat thema's die hij later in de jaren '80 zal uitwerken. Dit vroege werk getuigt van een ontluikende filosoof, Nietzsche zal zich langzaam maar zeker losmaken van zijn vak de filologie en zijn schaduwen Schopenhauer en Wagner.

Wat weet de mens eigenlijk van zichzelf! Ja, is hij ook maar eens in staat zichzelf volledig waar te nemen, neegelegd als in een verlichte vitrine? Houdt de natuur niet het allermeeste voor hem verborgen, zelfs zijn eigen lichaam, om hem, los van de kronkelingen der darmen, het snelle stromen van het bloed, de gecompliceerde trillingen van de vezels, te verbannen naar en op te sluiten in een trots begoochelend bewustzijn! De natuur heeft de sleutel weggegooid: en wee de noodlottige nieuwsgierigheid die ooit door een spleet van de bewustzijnskamer naar buiten en naar beneden vermag te kijken en die er dan een vermoeden van krijgt dat de mens in zijn onverschillige onwetendheid rust op het meedogenloze, het hebzuchtige, onverzadigbare, moordlustige, en dat hij als het ware op de rug van een tijger in dromen hangt. Waar komt bij deze constellatie in 's hemelsnaam de drang tot waarheid vandaan!

Friedrich Nietzsche Waarheid en leugen, 9

Wat is waarheid dus? Een mobiel leger metaforen, metonymia's, antropomorfismen, kortom een som van menselijke relaties die op poëtische of retorische wijze zijn verheven, overgedragen en opgesierd, en die een volk na lang gebruik als vaststaand, canoniek en bindend voorkomen: waarheden zijn illusies waarvan men vergeten is dat ze illusies zijn, metaforen die versleten zijn en letterlijk krachteloos zijn geworden, munten die hun beeltenis hebben verloren en nu als metaal, niet meer als munten in aanmerking komen.

Friedrich Nietzsche Waarheid en leugen, 14