1635

Je moet je tijd investeren, zei zij.

Je moet je tijd investeren, herhaalde ik in gedachten en liet de gedachte rondgaan, probeerde te proeven hoe deze uitspraak zou smaken. Smakeloos dus.

Voor de toekomst, vervolgde zij.

Voor de toekomst, zei ik haar na met een vies gezicht.

O, maar dat kan ook leuk zijn, zei zij met haar gestifte glimlach. Haar stem maakte een huppeltje.

Leuk, leuk! Daar heb je dat woord weer, dat nietszeggende woord dat elk mogelijke negatieve gedachte moet platwalsen zonder verder argumenten aan te dragen. Een vriend gaat naar de film, de film viel tegen, maar ja, hij had er geld in geïnvesteerd voor een leuke avond, dus hij wilde niet teleurgesteld zijn of in ieder geval niet teleurgesteld overkomen, dus hij zei: de film was wel leuk. Geen recensie is dodelijker.

Net als met geld, je investeert in een bedrijf of zoiets en later strijk je je winst op. Prachtig toch!

Zou zij het zelf geloven?

Of je gaat failliet. Ik had meteen spijt van deze uitspraak. Mevrouw zuchtte en sprak de woorden die zij tegelijkertijd aantekende: meneer wil niet investeren in zijn toekomst.

Ach, mevrouw, zei ik toen zo vriendelijk mogelijk, u begrijpt het verkeerd. Ik wil best investeren in het lezen van een roman, in het beluisteren van Bach, in het schrijven van een stukje tekst of het maken van een wandeling. Ja, dat is ook investeren, dat is investeren in mijn welbevinden. Maar die gedachte komt niet bij u op, u kunt alleen maar denken aan één of andere vorm van werkzaamheden die moeten bijdragen aan de moderne god van deze tijd, De Economie. Maar ik ben geen gelovige, ik wil best werken, mijn steentje bijdragen zoals dat heet, maar kom niet bij mij aan met het investeren van tijd in mijn toekomst, want u weet net zo goed als ik dat het helemaal niet om mijn toekomst gaat, maar dat het erom gaat dat ik geen kostenpost ben. Ik moet wat opleveren, ik moet tijd investeren opdat samen met anderen we de economie naar grote hoogte opstuwen zodat we aan het einde van de dag allemaal moe op de bank mogen hangen om te kijken naar die volstrekt idiote programma's op de televisie. En als je pech hebt vertellen ze ook nog op die treurbuis dat je tijd moet investeren in meer bewegen, in gezond eten, dat we meer aan cultuur moeten doen en nog allerlei andere adviezen waarmee ik mijn leven kan vullen tot aan de dag dat ik met pension mag en mag oogsten uit de tijd die ik mijn hele leven heb geïnvesteerd en denk: wauw, wat een winst zal ik opstrijken, laat de vrachtwagen van de postcodeloterij met al die lachende mensen maar voorrijden! Maar nee, niets, nada, niente. Na al die jaren ben je dan afgeschreven en verwijderd van de balans. Dan kan de gedachte opkomen: mijn leven is voltooid. Maar was het mijn leven nog wel?

Onbewogen had ze me aangehoord, alsof het niet de eerste keer was dat ze iemand zo'n nutteloze tirade hoorde afsteken. Ze boog zich weer over het formulier en noteerde: meneer kan goed praten.

Ergens in het universum implodeerde een sterrenstelsel.

Heel leuk, zei ik nog.

12 januari 2018

1634

Als ze niet bij mij komen, dan moet ik maar naar hen. Dus ging ik het bos in, want daar weten ze me te vinden. Maar hoe ik ook mijn oren verwachtingsvol te luisteren legde, ze kwamen niet. Toen ik begon te zoeken, wist ik, dat ik me zou vergissen, maar als mijn aanwezigheid niet genoeg was, dan moest ik ze een handje helpen. Nergens doemden ze op, niet in het geritsel van de bladeren, niet in het kraken van de boomstammen, niet vanuit het wuiven van de takken en zelfs niet bij het rimpelen van het water.

Urenlang liep ik en luisterde ik, het was hopeloos. Uiteindelijk ging ik midden op de hei op een heuveltje staan, keek eens goed rond en spitste nogmaals mijn oren. Leegte en stilte benam me de adem, ik raakte in paniek: wat als ze nooit meer zouden komen, dan zou ik met stomheid geslagen zijn, ik zou stilvallen, sterven misschien als er geen gedachte zich nog van mij meester zou maken. Ik wilde schreeuwen, maar er kwam slechts een flauw fluisteren en ik snikte: kom nou toch, waar blijven jullie? Geen antwoord, slechts een onheilspellend karig briesje zweefde boven het winterse landschap, er was geen woord om mee aan te vangen.

Toen het donker werd, besloot ik naar huis te gaan. Maar het mocht geen nederlaag zijn, ik zou niet opgeven, uiteindelijk zouden ze me wel vinden. Ik had de deur van mijn flat nog maar nauwelijks geopend en ik werd uit alle hoeken besprongen met een luid verrassing! Daar waren ze, onverwachts als altijd. Ik probeerde een goede gastheer te zijn en schikte de tafel.

10 januari 2018

1633

Het intellect is bij de allermeesten een traag draaiende, duistere en knarsende machine, die moeilijk op gang te brengen is: ze noemen het 'de zaak serieus nemen' als ze met deze machine willen werken en goed denken — o, wat moet goed denken lastig voor hen zijn! Het lieftallige beest 'mens' verliest elke keer, naar het schijnt, zijn goed humeur, als het goed denkt: het wordt 'serieus'! En 'waar lachen en vrolijkheid is, daar deugt het denken niet': — zo luidt het vooroordeel van dit serieuze beest tegen alle 'vrolijke wetenschap'. — Welaan! Laten we aantonen dat het een vooroordeel is!

Friedrich Nietzsche De vrolijke wetenschap §327 *

10 januari 2018

1632

Rembrandt van Rijn (1606-1669)
Portrait of a Woman Holding Gloves (1632-1642)

21 december 2017

1631

Ik moest het opschrijven voordat de beelden en de woorden langzaam maar zeker oplosten in de werkelijkheid.

Scène. Ik keek haar diep in de ogen aan, ik herkende haar, ze was het echt. Toch klopte er iets niet, er klopte veel niet, maar ik moest dit moment vasthouden, het was belangrijk. Ik was zo dicht bij haar, ik moest het nu weten.

Waarom had ze trouwens met moeder gesproken en niet met mij? Wat was het dat ze aan mijn moeder verteld had? En waarom leek mijn moeder niet op mijn moeder?

Een deel van het raadsel werd voor mij duidelijk bij een andere scène, de scène op het station. Ik was haar stiekem achterna gegaan, maar ik zag haar niet meer. Toen een trein wegreed, stond zij precies aan de andere kant. We keken elkaar aan, ze kwam naar mij toe en omhelsde mij innig. Hierdoor wist ik, dat de film Beyond the hills die ik de afgelopen dagen had bekeken, zich met het verhaal vermengde. Zo was mijn moeder mijn moeder niet, absoluut niet, maar wellicht deels de moeder uit de film, die overigens niet letterlijk een moeder was, maar een moeder-overste.

Terug naar de scène. We zaten in een treincoupé tegenover elkaar. Ik was zo blij haar te zien, maar ik was ook boos. Daarom moest ik het weten, waarom had ze het aan iemand anders vertelt en waarom vertelde ze het niet zelf aan mij? Wat moest 'mijn moeder' mij morgen vertellen, vroeg ik haar. Ik vermoedde het antwoord, ik wist het antwoord, ze hoefde het alleen nog maar uit te spreken. Ik ga dood, Jan-Willem, ik ben ziek. Het overviel me niet, ik wist het al, want dat kon de enige reden zijn. Ze had het glimlachend gezegd alsof ze mij bij voorbaat wilde troosten. Een groot verdriet en wanhoop overviel mij, alsof ik in haar plaats verdrietig en wanhopig was. Waarom kwam ze me dit na tientallen jaren afwezigheid vertellen? Was het alleen maar omdat ze dacht en wist dat het belangrijk voor mij was?

Ineens voelde ik dat de trein al enige tijd stil stond en dat we snel moesten uitstappen. Ze liep van mij weg, maar ik volgde haar. Ik wilde en moest bij haar blijven, ik zou haar immers definitief verliezen. De afstand werd steeds groter. Ze ging een monumentaal gebouw binnen – een universiteit, een ziekenhuis? – na eerst een wachtwoord tegen een portier gezegd te hebben. Ik aarzelde, ik wist het wachtwoord niet, hoe moest ik binnen komen? Ik zag anderen gewoon naar binnen gaan, dus ik probeerde het ook. De portier vroeg me niets, alsof hij mij verwacht had.

Volgende scène. Ze ligt in een bed met een infuus, maar de omgeving lijkt niet op een ziekenhuis. Zijn we bij haar thuis? Weer kijken we elkaar aan. Wist je niet dat ik in T. zo verschrikkelijk verliefd op je was? Nog steeds die lieve glimlach. Was je toen verliefd op mij dan? Zou ze het werkelijk nooit geweten hebben? Ik heb nooit zo van iemand gehouden als van jou! Ze kijkt me blij aan, stapt uit bed en loopt om een muurtje naar een keuken en gaat afwassen. Ik word me bewust van de ruimte waarin ik ben, het lijkt op een filmset. Allerlei mensen lopen rond, jong en oud. Zijn het haar kinderen, is het familie, heb ik ze eerder ontmoet? Ze verbazen zich niet over mijn aanwezigheid, al lijken ze te willen zeggen dat het nu wel lang genoeg geduurd heeft. Ik moet gaan, maar ik wil niet, ik wil bij haar blijven, nu het nog kan, ik wil haar niet weer verliezen. Ik roep haar naam, ze kijkt niet om.

Omdraaien, verder slapen, ik wil terug, pijn in mijn rug, geen houding kunnen vinden. Ik ga op de rand van het bed zitten en zie dat het tijd is om op te staan. Ik moet het opschrijven voordat de beelden en de woorden langzaam maar zeker oplossen in de werkelijkheid. Niet te lang uitstellen, vandaag nog.

17 december 2017