1689

17 september 2018

Het pand had een enorme ontvangsthal. Het bevatte een receptie met erachter een kantine, een gigantische hoge en brede trap was in het midden gedrappeerd met kussens (waar ik nooit iemand op heb zien zitten), een werk- en overlegruimte in de vorm van een wigwam en een winkeltje. In het winkeltje zag ik overhemden, colbertjes, stropdassen, allerlei kaarten met kleuren. Luxe kantooruniformen. Achter een bureau een goedgeklede meneer op leeftijd die als een bewegende etalagepop moest uitstralen wat de klant automatisch bij de koop van een maatpak meekrijgt: vermeend gezag en respect. Op een luxe rolkoffer stond de naam van de winkel: Ameda Tailoring. Ik probeerde het laatste woord een paar maal te fluisteren, maar mijn tong bleef erover struikelen. Even moest ik de neiging onderdrukken om naar binnen te gaan en frivool te vragen 'dus u bent de kleermaker?', al was het maar om te kijken of hij de vraag met de nodige zelfspot zou beantwoorden.

Nee, de verkoper zag er werkelijk tiptop uit, alles klopte. Het grijswitte haar was netjes in een scheiding gekamt en het zou me niet verbazen dat hij zijn handen had laten manicuren. Hij was in gesprek met een jongeman – eerder een medewerker dan een klant vermoedde ik – en het was tijdens dit gesprek dat de oudere meneer door de mand viel. Want wie zich beschaafd kleedt, hoort zich ook beschaafd te gedragen anders wordt het schone schijn, louter pretentie en narcisme. Ik zag en hoorde ze vaak in de trein, de gladgeschoren gezichten, maatpak en glimmende lederen schoenen, onderuit gezeten een taalgebruik hanterend die allerminst verzorgd was. De tailor was geanimeerd in gesprek met zijn vermoedelijke collega terwijl hij tegelijkertijd druk kauwend zijn twaalfuurtje aan het wegwerken was. Had hij dan niet van zijn vader en moeder geleerd niet met volle mond te praten?

Morgen is het Prinsjesdag.

1688

14 september 2018

Toen ik door de draaideur het grote kantoorgebouw binnen ging, werd ik tegemoet gevaren door een meneer in een lichtblauw pak met stropdas in een uitgeholde boomstam. Schijnbaar moeiteloos wist hij zijn weg te peddelen in het groen van een tropisch regenwoud. De krokodil in het water en de slang op een overhangende tak leken hem geen vrees aan te jagen. Onder de frons glimlachte hij me bemoedigend toe. De Eric-Wiebes-blik, verplicht optimisme als deugd. Just another day at the office. Tribes. Inspiring workplaces. Kantoorruimtes waar je als in een bootje de grote gevaren van de werkende wereld zelfverzekerd kunt trotseren. Geruststellend. In welke wereld was ik terecht gekomen, vroeg ik me zuchtend af. Ik ging met verwachtingsvolle spanning zitten in de mij toegewezen designer zithoek en bestudeerde de roofdieren.

1687

12 september 2018

De onbevangenheid waarmee hij literatuur las. Hij begreep niet alles, maar hij was onder de indruk en hij vermoedde dat het belangrijk was. Hij zou willen dat hij dat nog steeds op deze wijze kon. Wegdromen op de oneindige melodieŽn van de verhalen van Verne, Dickens, Balzac, Toergenjev en al die anderen. De tijd uitrekken tot eindeloze uren, meeleven met de personages, natuurlijk het liefste met personages die zo tragisch waren als maar kon. Het huiswerk en de slaap moesten maar wachten.

Leeservaringen stapelden zich op. Ik ging me afvragen waarom het ene boek niet en het andere boek wel. Ik werd kritisch en leerde te benoemen waarom wel en waarom niet en dat het zo vaak ambivalent was. (Met dank aan Jeroen Brouwers.) Mijn lezen werd wellicht volwassen, mijn levenservaringen begonnen het lezen te kleuren. Waar ik in mijn jeugd droomde van grootse mogelijkheden en verre verten, daar keek ik nu vaak terug op dromen die bedrog bleken en verten die altijd achter de horizon zouden blijven. Niet langer liet ik me zomaar in een verhaal sleuren.

Maar soms overkomt het hem weer en dan weet hij: dit is een mooi boek.

(Gedachten bij van het lezen van de vroege verhalen van I.A. Boenin.)

1686

11 september 2018

Ogenblikkelijk doemt vanuit de catacomben van mijn geheugen een rijzige gestalte op. Beelden en indrukken buitelen over elkaar heen. Ja, het was toch een lange, magere man geweest? Rossig haar, snorretje, een met sproeten bedekte huid? Vooral die handen, wanneer ik ze leunend op mijn tafeltje zag, die lange vingers, grote nagels en de verkleuringen van tabak op de wijs- en middelvinger? Daarnaast had hij in zijn motoriek iets eigenaardigs, ik kan het nu niet beter omschrijven als vloeiend en slungelig tegelijk. Ik had me altijd ongemakkelijk geweten bij deze man, ik had hem lelijk gevonden en me er schuldig over gevoeld dat ik hem lelijk vond.

Hoezeer kan ik mijn herinneringen vertrouwen? Komen ze niet uit mijn kindertijd? Pijnlijk eerlijk zijn ze, ik voel nu de behoefte om ze te verzachten. Want was het ook niet een aardige man geweest, gevoelig en emotioneel? Als hij boos werd dan hadden we het er wel naar gemaakt, dan hadden we hem tot het uiterste getergd. Misschien herkende ik iets in hem, want was ik zelf niet rossig geweest? En was het groeiende ongemak met mijn eigen uiterlijk toen al niet in volle gang?

Mijn moeder had op een dag in een middagpauze aan de keukentafel iets over hem verteld waar ik nog nooit van gehoord had. Dat hij homoseksueel was. Dat mannen op mannen konden vallen. Dat hij daarom alleen woonde. Mijn moeder had het zonder vooroordeel gezegd, ik kreeg zelfs de indruk dat ze medelijden met hem had. Het was duidelijk een publiek geheim geweest.

Bijna veertig jaar later belt mijn moeder me op: meester Molenhuis is dood, jij hebt toch bij hem in de klas gezeten? Ze hebben hem gevonden, de buren hadden hem al enige tijd niet meer gezien, de politie heeft de deur opengebroken en toen hebben ze hem gevonden. Mijn moeder herinnert zich dat meester Molenhuis ooit een vriend had die bij hem woonde en dat het zo'n ophef had gegeven in het dorp. Een meester op een christelijke school met een vriend, dat kon toch niet? O, dat bekrompen dorp waarin ik ben opgegroeid! Ik slik mijn woede in.

Meester Molenhuis. Eigenaardig, ik besef ineens dat ik zijn voornaam niet weet. Net zo min van de andere meesters en juffen. Het is altijd meester Molenhuis gebleven, ook toen ik al lang van school was. Wat weet ik van hem? Eigenlijk helemaal niets en ineens word ik nieuwsgierig. Hoe is het verder met hem gegaan? Wie was hij? Wat deed hij buiten zijn werk? Was hij gelukkig? Hield hij misschien van literatuur, lezen, muziek?

In een fotoalbum vind ik een klassenfoto. Vijfde klas, 1978-1979. Daar staat hij, achter zijn klas, een jaar lang zijn kinderen, lachend met de mondhoeken naar beneden. Zo was hij ook. Daar zit ik, rechtsonder, ietwat terzijde, alsof ik me toen al breed lachend aan de groep wilde onttrekken.

1685

10 september 2018

Ik vertrouw vrouwen op hoge hakken niet.
I.A. Boenin Verzamelde werken. Deel 1, 196

Het is mythologie te geloven dat we ons eigenlijke zelf zullen vinden nadat we dit en dat gelaten of vergeten hebben.
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 275

Overal waar onze driften het woord voeren, is het 'doel' gewichtigdoenerij.
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 276

Eerst de zonde verzinnen en vervolgens de staat van verlossing, dat is een ongeëvenaarde prestatie van de mensheid.
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 281

maar waarom moeten de dagen / altijd opnieuw beginnen
Jan Geerts brieven aan de tijd in: Poëziekrant 2018/4, 102

1684

9 september 2018

Als er geen mensen waren om waarde toe te kennen aan goud, zou het dan ook meer waarde hebben dan ijzer? Er zou geen haan naar kraaien.

Is het niet net zo met diepere lagen die mensen aanbrengen in kunstwerken, filosofieŽn en godsdiensten? We spreken van diepere betekenissen en vergeten dat we die zelf aangebracht hebben. Toch hebben we bij het opdelven de ervaring dat we iets unieks en waardevols in handen hebben. We zouden zelfs kunnen denken dat we dichter bij de waarheid raken. Maar waarheid is als de waarde van goud.

Blijft over, de schoonheid ervan.

1683

8 september 2018

Ik keek uit over het golvende heideveld. De lucht was tingrijs met flarden laaghangende wolken vol van neerslag. Ik groette mijn vriend de gespleten boom en hij knikte terug.

Dit is het, dacht ik, zo moet het zijn. De grote stilte. Alleen met de verborgen verhalen van planten en dieren en de taal van de wind. Alles volstrekt vanzelf gaand, spontaan zonder spontaniteit. Geen diepere betekenissen, alleen zo-zijn.

Als het mogelijk zou zijn tijd en ruimte te bevriezen in een ondeelbaar moment, dan nu

1682

7 september 2018

Het bos heeft vele gezichten.

Gisteren nog, de windstilte en het licht waren zwanger van onweer, maar het bleef rommelend ver weg. Soms hoorde ik druppels langs de bladeren naar beneden vallen en dan keek ik bezorgd op naar de hemel. Het was een boom die de draak met me stak en anderen deden hem na.

Vanochtend was het vochtig van de nachtelijke regen. De bodem veerde mee met mijn voetstappen, een heel verschil met het knisperende stof van de de zomerse droogte. De bladeren glansden weer, opgefrist, tot leven gekomen.

Nooit loopt iemand tweemaal in hetzelfde bos.

1681

27 augustus 2018

We zagen in de verte uit donkere wolken de regen naar beneden storten. Achter ons scheen de zon die de wolken versierde met heldere regenbogen. We reden door het landschap van mijn jeugd, het land­schap met de lage horizon en de verre schaduwen van boerderijen en bomen, kerken op terpen, het vee in de weilanden omgeven door vervallen hekken en drassige sloten.

Ergens moest een pot met goud staan.

Nu kijk ik over mijn laptop door de luxaflex naar de rand van een bos. Ik prijs mij gelukkig met dit uitzicht. Toch verlang ik naar een verte en een verwachtingsvolle leegte.