1701

17 december 2018

Hieronder staat een alinea die na de eerste witregel van #1698 stond, maar die ik er uit heb gehaald, omdat het het verhaal teveel ophield. Toch kon ik het niet weggooien, daarom plaats ik het hier.

Het schilderij van Polenov (#1700) resoneerde mee – alhoewel niet letterlijk – bij het schrijven van de passage rond de ijzeren poort in #1698.

Hij heeft zich er altijd over verbaasd dat hij als herfstmens juist van de ochtend houdt om te wandelen. In de ochtend ontwaakt de wereld immers uit een slaap en dat associeerde hij eerder met de lente, het seizoen waarin de natuur opbloeit vanuit de kale en bevroren aard van de winter. Als de dag een weerspiegeling is van de seizoenen, dan zou hij verwachten dat hij liever in het invallende duister van de avond zou lopen. Zeker tegenwoordig, nu hij als vijftigjarige langzamerhand in de herfst van zijn leven komt. Maar misschien was het juist wel daarom, misschien wilde hij zich laven aan de jeugd van de dag. Het liefste koos hij het tijdstip waarop het duister van de nacht overging in het aarzelende licht van de ochtend, het tijdstip waarop het lawaai van de menselijke activiteiten nog grotendeels afwezig is, het tijdstip waarop de dauw de wereld nog fris houdt, het tijdstip waarop de laatst roep van de uil verstomd en de eerste vogels voorzichtig hun aanwezigheid kenbaar maken.

1700

17 december 2018

Vasily Polenov (1844-1927)
An Old Gate (1874)

1699

16 december 2018

Een gedachte is dus een verzinsel dat waar kan zijn, zonder dat ik dat zeker weet.
Guus Kuijer De Bijbel voor ongelovigen. Het begin. Genesis, 23

Ik begreep dat ik de man aan het spelen was waarnaar zij had verlangd, een man die haar aankon, die haar de mond kon snoeren, het soort man dat ik niet wilde zijn.
Guus Kuijer De Bijbel voor ongelovigen. Het begin. Genesis, 94

Als niemand iets snapt, kun je de mensen een boel wijsmaken door zelf te doen alsof je het wel doorgrond.
Roman Helinski Steeds gladder in: Hollands Maandblad 2018/11, 22

Wanneer je een minderheid bent in een vreemd land wordt vriendschap duur betaald.
Guus Kuijer De Bijbel voor ongelovigen. Het begin. Genesis, 181

(...) want alle ellende in het leven komt voort uit een 'een visie op het leven'.
Cioran Een kleine filosofie van verval, 15

1698

14 december 2018

De avondwandeling

I

De schemering was vroeg ingevallen voor de tijd van het jaar, maar dat merkte hij pas laat op, zozeer was hij in gedachten geweest. De hemel was oranjerood tussen de zwarte wolken, als gloeiend lava tussen basalt. Hij hoopte dat de volle maan tevoorschijn zou komen om de terugweg nog enigszins te verlichten.

Hij werd er onrustig van, dit was dus de reden waarom hij nooit avondwandelingen maakte. Nu moest hij zich haasten om op tijd het bos uit te komen. Natuurlijk had hij een kortere route kunnen nemen, maar zijn benen hadden als vanzelf een andere weg gekozen.

Hij dacht terug aan de ochtend van deze late zomerdag. Toen hij klaar stond om de wandeling te beginnen stond er ineens politie voor de deur. Of ze hem even konden spreken. Hij had ze binnen gelaten.

Er bleek in de wijk een verwarde man te zijn die in de vroege uren nogal wat rumoer had veroorzaakt. Toen de politie was gearriveerd had de man zich uit de voeten gemaakt en ze hadden hem niet kunnen achterhalen. Omstanders hadden de man echter herkend en naar zijn adres verwezen.

Nee, hij was de hele ochtend thuis geweest, hij had zo zijn vaste rituelen afgewerkt en stond nu klaar om te gaan wandelen in het bos. Ja, hij woonde alleen. Hij wist wel van een verwarde man, maar die woonde elders. Nee, hij wist het adres niet.

De agenten hadden nieuwsgierig rondgekeken in zijn flat, ze leken het niet te vertrouwen, maar vonden ook geen aanknopingspunten. Bovendien hadden de omstanders van een bejaarde man gesproken en zo oud was de bewoner op dit adres nu ook weer niet.

Of hij de komende uren thuis bereikbaar was. Ja, dat was hij, al moest hij zijn ochtendwandeling dan uitstellen. Geen nood, hij had wel vaker een wandeling overgeslagen, als het slecht weer was bijvoorbeeld. Dus was hij binnen gebleven, had nog wat gelezen en geschreven, maar had 's avonds ineens een onrust gevoeld, de behoefte om er nog even uit te gaan. Hij was een avondwandeling gaan maken.

Het was zeker nog een uur lopen tot aan de rand van het bos. Hij merkte dat zijn ogen zich aanpasten aan het duister, zo kon hij vaag de contouren van het pad zien. Hij was bekend met de weg.

Bij een smal paadje dat het dichte bos inliep, zag hij in de verte tussen de bomen een licht bewegen. Iemand met een zaklantaarn, dacht hij, iemand die zo slim geweest is. Hij wist dat het paadje in een halve cirkel weer bij zijn weg uit zou komen, dus liep hij door in de hoop de persoon tegen te komen. Inderdaad kwam er verderop het silhouet van iemand tussen de bomen tevoorschijn, maar toen hij groette schrok de man of vrouw en rende het bos in. Verrast bleef hij staan. Was het wel een man of een vrouw? Het had een kind geleken.

‘Hé, je hoeft niet bang voor me te zijn, ik kan je helpen,’ riep hij, maar er kwam geen reactie. Wat doet een kind zo laat alleen in het bos? Waarom was het weggerend?

Alhoewel hij doorgaans geen daadkrachtige persoonlijkheid was, aarzelde hij niet en besloot hij er snel achteraan te gaan. Het ging hier uiteindelijk waarschijnlijk om een kind.

Hij volgde op afstand het dansende licht, dat steeds dieper het bos in leek te verdwijnen. Hij kwam op paadjes waar hij nooit eerder gelopen had. Met oplettende haast bleef hij het schijnsel in het vizier houden. Voorzichtig met zijn armen voor zich uit als een slaapwandelaar, baande hij zich een weg, struikelend over boomwortels, bukkend voor overhangende takken. Het bos werd steeds dichter begroeit en leek zich achter hem te sluiten.

Hij had geen idee hoe lang hij daar al liep en welke afstand hij had afgelegd toen hij bij een ijzeren poort kwam, zo'n toegangspoort dat hij kende van oude begraafplaatsen. De verroeste deuren hingen uit het lood aan de stenen pilaren. De grond was begroeid, er was duidelijk lange tijd niemand meer geweest. Door de spijlen zag hij dat het pad achter de poort verder ging en op een open ruimte uitkwam.

Juist op dit moment kwam de volle maan tevoorschijn en bescheen aan de andere kant van het open veld een huis, glimmend zwart in het licht. Een deur in het midden en rood geschilderde luiken voor de ramen. Het huis deed hem denken aan een slapend gezicht.

Maar wat hij ook zag verraste hem zo, dat hij onwillekeurig een stap terug deed: er lag sneeuw rondom het huis.

Wat voor een eigenaardig natuurfenomeen speelt hier, vroeg hij zich af, dat er op een nazomeravond sneeuw kan liggen in het bos?

Voorzichtig duwde hij de hekdeuren verder open, zodat hij erdoor kon. Meteen voelde hij een koude bries, zijn adem condenseerde en vormde wolkjes.

Op zijn hoede liep hij het kronkelige pad af richting het huis. Brandlucht voegde zich bij de kou. Er kwam rook uit de schoorsteen, er moest wel iemand thuis zijn. Zou het kind hier wonen?

Naarmate hij dichter bij het huis kwam werd het steeds kouder en er vormde zich een nevel vlak boven de grond. Hij had het gevoel los te komen van de aarde en hij leek zijn voeten niet meer te voelen. Wel hoorde hij het kraken van de sneeuw en hij bukte om te voelen of de sneeuw echt was.

Het was echt!

Hoe is het mogelijk, mompelde hij, in deze tijd van het jaar?

Voortgedreven door zijn verwondering liep hij naar de deur. Door de kieren van de gesloten luiken scheen een helder, warm licht.

De deur was niet afgesloten en gaf eenvoudig mee. Alsof hij verwacht werd. Hij betrad een enorme, helverlichte gang.

II

‘Ha, daar bent u dan eindelijk, had hij u dan toch gevonden?’ klonk het aan de andere kant van de ruimte. Een jonge vrouw, gekleed in het wit als een zuster, met een engelachtige glimlach. ‘Gaat u maar naar de bibliotheek, uw thee staat klaar, de haard brand al.’

‘Nee, nee, ik kwam alleen maar ... ik zag een kind, ik dacht ...’

‘Ach, was u de weg weer kwijt? Gelukkig heeft Tycho u gevonden, Tycho vindt u altijd.’

‘Tycho?’

‘U kent uw kleinkind toch wel? Kom, laat de thee niet koud worden, uw dochter komt zo.’

‘Kleinkind? Dochter? Zeg, ik woon hier niet, ik was alleen maar ... het moet een misverstand zijn, ik denk dat ik maar weer eens ga.’

De vrouw was op hem afgelopen en pakte hem bij de arm.

‘Kom nou maar, uw vergeetachtigheid wordt elke dag erger, u kunt beter niet meer alleen wandelen. Trek uw jas lekker uit, ga lekker bij de haard zitten. Kom nou maar, uw dochter komt zo.’

Verbijsterd keek hij haar aan. Eerst wilde hij zich verzetten, maar toen besloot hij mee te gaan. Hij zou het wel aan die dochter uitleggen, die de vergissing natuurlijk ogenblikkelijk zou inzien. Bovendien zou het buiten nu te donker zijn om de weg terug te vinden, misschien konden ze hem daarbij helpen.

Zijn hart begon sneller te kloppen toen hij de bibliotheek betrad. Het was een grote, vierkante ruimte met overal boekenkasten langs de muren. Een haard brandde fel en veroorzaakte dansende schaduwen.

Onder een groot raam stond een ouderwets bureau met stapels boeken. Hij knipte de tafellamp aan en keek met een glimlach rond, van zo'n bibliotheek had hij zijn hele leven gedroomd. Hij voelde zich altijd thuis tussen zoveel boeken.

Terwijl hij zijn blik langs de boeken liet gaan, viel het hem op dat er wel erg veel boeken waren die hijzelf ook bezat. Hij ontdekte dat in de enige boekenkast met glazen deuren de complete wetenschappelijke editie van zijn favoriete auteur en filosoof stond. Hoe was het mogelijk! Het leek wel alsof deze bibliotheek voor hem op maat gemaakt was.

Een onbestemd gevoel begon zich van hem meester te maken, hij voelde zijn benen slap worden, lichte trillingen gingen door zijn lijf. Hij zocht steun aan de bureaustoel en toen viel zijn blik op het bureaublad waar een aantekenboekje opengeslagen lag. Het was zijn handschrift! Hij wilde schreeuwen van schrik, maar er kwam niet meer dan een verstikkende kreun.

Hij moest hier weg en liep wankelend naar de deur, maar die bleek op slot! Vloekend bonsde hij op de deur en probeerde het met grote kracht open te trekken, maar het gaf geen krimp. Hij luisterde, maar hoorde niets, geen enkel teken van leven.

Nu pas viel het hem op hoe stil het was geworden. Het knappen van het haardvuur accentueerde deze diepe stilte. De boeken keken hem zwijgend aan.

Droom ik, mompelde hij voor zich uit. Of is dit een slechte grap?

Hij keek rond of hij verborgen camera's zag, maar zijn blik bleef hangen in de enorme spiegel die boven de haard hing. Met open mond liep hij op zijn spiegelbeeld af. Dit was toch niet mogelijk, hij herkende zichzelf niet of toch wel! Hoe oud was hij geworden!?

Een misselijkmakend gevoel borrelde op uit zijn buik en veroorzaakte een draaierig, licht gevoel in zijn hoofd. Diep ademend ging hij in de stoel zitten naast de haard met zijn hoofd tussen zijn benen. Koude rillingen en zweetdruppels tegelijkertijd. Wat gebeurde er toch met hem?

Hoe lang hij in deze houding gezeten heeft wist hij niet, maar toen hij opkeek leek de kamer als een boot heen en weer te deinen op de golven. Hij leunde achterover en sloot zijn ogen.

In wat voor een slecht verhaal was hij terecht gekomen? Hoe kon hij zo oud geworden zijn? Wie was hij nu? Waar was hij überhaupt?

Hij moest bij zinnen komen, niet in slaap vallen en sperde zijn ogen wijd open om zo goed mogelijk te kunnen focussen. Onwillekeurig pakte hij het kopje thee dat voor hem klaar gezet was en dronk het op. Het was koud en bitter. Zijn ogen werden opnieuw zwaar, hij vocht er tegen, maar hij kon ze niet meer open houden. Hij pakte nog het boek op dat naast het theekopje lag, maar hij kon niet meer zien dat hij de auteur was van het boek dat hij in handen hield. Het boek dat hij altijd al had willen schrijven.

Lang smeulde het haardvuur na totdat ook de laatste rook uit het zwart geblakerde hout opsteeg in de schoorsteen.

III

In de vroege ochtend van een dag in december, terwijl er een sneeuwstorm over het land raasde, forceerden enkele agenten de toegang tot een flat. De buren hadden geklaagd over stank en buurman was al een tijd niet meer gezien. Ze vonden hem, of althans wat er van hem over was, zittend in een stoel. Een glazen beker hing aan de wijsvinger van de rechterhand. Een boek was open op de grond gevallen.

1697

5 december 2018

Lou Salomé (1861-1937)

1696

28 november 2018

Wat is het leven anders dan je ogen dichtdoen voor de dood?
Basje Boer 'Alleen ik kan genade schenken' in: De Groene Amsterdammer 2018–29/30, 117

Zoals zo vaak blijken tegenstellingen innerlijk met elkaar samen te hangen.
Ton Lemaire Claude Lévi-Strauss, 140-141

The more things change, the more they remain insane.
Henry Petroski The Book on the Bookshelf, 222

Ja, bij onszelf is het precies zo: wat we als ons grootste belang decreteren, leeft ten koste van andere belangen van onszelf.
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 322

Het was me langzamerhand wel duidelijk dat je God de mond kon snoeren door zelf na te denken.
Guus Kuijer De Bijbel voor ongelovigen. Het begin. Genesis, 19