jwl

1630

De kern van de zaak is immers, dat alles wat mij overkomt zich binnen mijzelf afspeelt.
Frida Vogels Dagboek 1968-1969, 21

The sensual man conforms thoughts to things; the poet conforms things to his thoughts.
Ralph Waldo Emerson Essays and Lectures, 34

Ik zal daar later met verbazing in mijn dagboek over lezen, als dat besluit als een alleen maar de weg versperrend blok terzijde geschoven zal zijn en we het leven van voor de crisis hervat zullen hebben en langzaam weer in dezelfde sporen zullen doodlopen.
Frida Vogels Dagboek 1968-1969, 130

Ik heb niet veel sympathie voor mijzelf, maar ik heb nu eenmaal te leven met mijzelf zoals ik ben.
Frida Vogels Dagboek 1968-1969, 130

Then taking up his pencil he opened the notebook to a random page and wrote, Gott ist todt!, "God is dead!"
Mark Anderson Zarathustra Stone, 88

8 december 2017

1629

Wat ons vrijstaat. – Men kan als een tuinier met zijn driften omgaan en, wat weinigen weten, de kiemen van de woede, van het medelijden, van het piekeren, van de ijdelheid zo weelderig en vruchtdragend doen groeien als prachtig fruit aan spalieren; men kan het doen met de goede of de slechte smaak van een tuinier en als het ware op de Franse, Engelse, Hollandse of Chinese manier, men kan ook de natuur haar gang laten gaan en slechts hier en daar voor wat versiering en schoonmaak zorgen, men kan tenslotte ook zonder enige kennis of nadenken de planten laten op­groeien in hun natuurlijke, gunstige of ongunstige omstandig­heden en ze hun onderlinge strijd laten uitvechten, – men kan zelfs aan een dergelijke wildernis zijn vreugde beleven en juist op deze vreugde uit zijn, ook al kost dat de grootste moeite. Dit alles staat ons vrij: maar hoeveel mensen hebben er eigenlijk weet van dat dit ons vrijstaat? Geloven niet de meesten aan zichzelf als aan volledig uitgegroeide feitelijkheden? Hebben grote filosofen niet ook nog hun stempel op dit vooroordeel gedrukt, met de leer van de onveranderlijkheid van het karakter?

Friedrich Nietzsche Morgenrood §560

30 november 2017

1628

Ga weg zei hij, ga weg, ik wil niet dat je meekijkt, dan kan ik het niet en anders speel ik nooit weer!

Zijn vader had hem noten leren spelen. Op een dag had hij het hem gevraagd, wil je me leren orgel spelen? Hij had altijd met enig ontzag geluisterd hoe zijn vader muziek maakte en tegen zijn moeder gezegd, dat hij dat ook wel wilde. Vraag aan papa of hij het je wil leren, had zij gezegd, en hij had het gevraagd. Zo leerde hij de muzieknoten lezen terwijl hij nog niet eens letters kon lezen.

Hoelang zijn vader hem les gegeven heeft, dat weet hij niet meer. Wel herinnert hij zich dat de lessen steeds vaker ontaardden in boosheid en ruzie. Papa had geen geduld en hoe meer hij geïrriteerd raakte, hoe meer fouten hij maakte. Op een dag wilde vader geen les meer geven en was hij zelf verder gegaan. Dat was de dag dat hij autodidact werd. Schijnbaar had hij voldoende basis om langzaam maar zeker de lesboeken door de nemen. Het ging vlot, hij leerde snel en was trots op wat hij zelf bereikte en iedereen mocht het weten, moest het horen. Kijk wat ik kan, knap hè?

Als er visite was, mocht hij wel eens voorspelen. Trots speelde hij wat hij kon en misschien ging hij wel eens wat te lang door. Maar soms stond zijn vader achter hem en begon hem te plagen als hij fouten maakte, dan kromp hij ineen. Hij werd zenuwachtig, nerveus en daardoor maakte hij steeds meer fouten. Zijn vader lachte, de visite lachte, althans, zo herinnert hij het zich. Natuurlijk lachten ze hem niet uit, dat begreep hij nu ook wel (al was hij daar niet zeker van), maar hij ervoer het wel zo. Hij kreeg wel complimenten, maar hij geloofde ze niet meer. Het maakte hem onzeker, zijn trots begon te verdwijnen en hij begon de lat steeds hoger te leggen: vanaf nu moest het altijd perfect. Hij wilde niet meer voor visite spelen, behalve als zijn vader niet meekeek, die moest dan de kamer uit. Op een avond had zijn vader gedaan alsof hij de kamer had verlaten, maar was hij stiekem in de woonkamer gebleven en verraste hem door plotseling weer achter hem op te duiken, kritiek te leveren, te lachen. Vanaf dat moment wilde hij niet meer voorspelen.

Hij noemde het één van de oerscènes uit zijn leven. Of het allemaal precies zo gebeurd was, dat wist hij niet, maar zo herinnerde hij het zich, er kwamen zelfs beelden boven. Andere pijnlijke herinneringen waren omgeven met waas. Plagerijen waarbij hij boos werd, waardoor ze alleen nog maar harder gingen lachen en als hij in tranen uitbarstte ook nog te horen kreeg dat jongens niet hoorden te huilen. Of die dag dat hij de woonkamer binnenkwam en zijn grote broer voorlas uit een schriftje waarin hij verhaaltjes schreef en iedereen moest lachen. Het was misschien niet kwaad bedoeld, maar hij schaamde zich diep en schreef niet meer. Daar is mijn eventuele schrijverschap in de knop geknakt, zei hij. Op de lagere school was hij een onzeker jongetje met rood haar die ook nog van moeilijke muziek hield. Je zult begrijpen dat ik nogal eens het slachtoffer van spot was, zei hij, en al trok ik me er zo min mogelijk van aan, nu begrijp ik dat het langzaam maar zeker en alles bijelkaar opgeteld, onbewust zijn verwoestende werking heeft gedaan. Ik heb de middelbare school met de hakken over de sloot nog afgemaakt, maar daarna is elke volgende opleiding een ramp geworden. Nou ja, hij had zijn typediploma en zijn rijbewijs nog gehaald.

Nog steeds, zei hij, nog steeds voel ik die blik over mijn schouder. Vooral als het een situatie betreft waarin ik moet presteren, als er druk op staat. Dan krijg ik plankenkoorts. Als ik schrijf mag niemand meelezen en niemand mag het lezen als ik erbij ben. Ik ga de kamer uit als ik het iemand laat lezen, ik vrees de reactie. Soms als ik door een straat loop in een stad, dan voel ik al die blikken die op mij gericht zijn uit al die huiskamers. Ze zijn er niet, toch voel ik ze. Maar het allerergste is, wanneer ik achter mijn laptop op zoek ben naar een baan en een brief moet schrijven. Dan begint mijn lichaam te trillen, moet ik bijna huilen, dan word ik weer helemaal die kleine jongen die uitgelachen wordt. Weet u, mijn vader, dat is de maatschappij geworden. O, ik zorg goed voor mezelf hoor, maar nu snapt u waarom ik liever alleen ben in mijn eigen huiskamer met al die boeken om me heen die me niet uitlachen, die niet oordelen, die geen kritiek hebben. Nu begrijpt u waarom ik liever in het bos wandel, tussen al die bomen die niet lachen en me niet op fouten wijzen. Daarom hecht ik ook zo aan die paar mensen die ik kan vertrouwen, die me trouw zijn, die hun oordeel over mij kunnen opschorten en die me werkelijk toelachen als ik iets doms gedaan heb. En mijn kinderen, mijn schatten, die heb ik bovenal lief.

Er viel een stilte tussen ons. Ik was onder de indruk van zijn verhaal, veel puzzelstukjes begonnen op hun plaats te vallen. Ik keek van hem weg en zag hem in de spiegel zitten, een man die best intelligent was, zoveel mogelijkheden, een prater overvol van gedachten, ergens wel charmant ook en tegelijkertijd onmachtig ineengekrompen, een man die alle successen in zijn leven bagatelliseerde tot er niets van over bleef. Nu moest ik hem de vraag stellen: wil je dat deel van jezelf aanpakken en beheersbaar maken of vind je het wel goed zo, zoals het gaat, want eigenlijk was hij best gelukkig als hij zich wist te onttrekken aan de wereld. In zekere zin zou ik hem moeten laten lijden.

Maar ik hoefde de vraag niet te stellen, hij keek me diep in de ogen aan en zei: ik wil blijven zoals ik ben, maar ik wil ook van die verlammende angst af. Kun jij me helpen, alsjeblieft? Zodat ik een goede vader word?

28 november 2017

1627

Lieve A.,

Die twinkel in je ogen, die zag ik ineens weer voor me toen ik in gedachten liep te mopperen. Ik had een andere afslag genomen op mijn wandeling om andere paden te verkennen en was gestuit op een omheining waarachter een groot terrein werd afgegraven. Waren de bomen daar omgehakt? Wat waren ze daar aan het doen? Ze gingen daar toch niet vakantiewoningen bouwen of één of andere economische activiteit? Gelukkig stond er een informatiebord. Ooit had een kleiduif­schietvereniging daar haar activiteiten gehad en nu werd de grond gesaneerd om alle achtergebleven loodhoudende kogeltjes te verwijderen. Uiteindelijk zou deze open plek weer heide worden. Sorry voor de overlast. Ja, jij zou om mijn aanvankelijke wantrouwen en gemopper gelachen hebben en al helemaal toen bleek dat ik me onnodig boos had gemaakt.

Dat oeverloze vertrouwen en optimisme van jou heb ik nooit kunnen delen. Niet dat ik een pessimist ben, dat weet je ook wel. Uiteindelijk heb ik een onredelijk vertrouwen dat alles weer goed komt (ook als het niet goed komt, voeg ik daar altijd aan toe). Nee, de wereld is hard en vol tegenslagen en dat tempert maar al te vaak mijn vertrouwen en optimisme. Toch wist jij in de tijd dat de we nog lange gesprekken voerden altijd weer de zon aan een wolkeloze hemel te laten schijnen. Toen deelden we nog een religieuze houding waar ons vertrouwen op gestoeld was. In al het leven zou een goddelijke vonk aanwezig zijn en als we dat nu maar zouden blijven zien, zou het allemaal goed komen. Ik vermoedde die vonk eveneens in levenloze dingen, want in alles kun je een vorm van schoonheid zien en dus moest in alles op de wereld zo'n vlammetje, hoe klein en onbeduidend ook, aanwezig zijn. Ik denk met weemoed terug aan die tijd, de tijd van fabelachtige zekerheden.

Nu weet ik dat onze zienswijze een vorm van pantheïsme was (of wellicht beter: panentheïsme). Onlangs vond ik het via een omweg weer terug, in het essay Nature van Ralph Waldo Emerson. Had ik zijn werk dertig jaar eerder maar gelezen! Toen wist ik al dat Nietzsche hem graag las en hem bleef lezen. Ik heb geen idee waarom ik het zo lang heb uitgesteld, maar je weet, ik ben er heilig van overtuigd dat boeken zich altijd op het juiste moment aandienen (sta me deze illusie dan tenminste toe!), dus het zal wel een reden hebben. Niet dat Emerson een pantheïst was, hij behoorde tot de beweging van het transcendentalisme. Bij hem niet zozeer een goddelijke vonk, maar hij ziet de natuur als een vingerwijzing naar een andere, spirituele wereld. Door de zichtbare wereld kunnen we die andere wereld ervaren.

In the woods, we return to reason and faith. There I feel that nothing can befall me in life, – no disgrace, no calamity, (leaving me my eyes,) which nature cannot repair. Standing on the bare ground, – my head bathed by the blithe air, and uplifted into infinite space, – all mean egotism vanishes. I become a transparent eye-ball; I am nothing; I see all; the currents of the Universal Being circulate through me; I am part or particle of God.

Ralph Waldo Emerson Essays and Lectures, 10

Je weet dat ik ondertussen niets meer van transcendentie of immanentie wil weten. De dood van God (en voor God mag je elke religieuze entiteit of ideologische basis invullen) heeft een leegte, een grote afwezigheid achtergelaten en als er al iets moet zijn dat de eenheid achter de verscheidenheid borgt, dan is het wel deze afwezigheid. De waarde van die leegte ligt in de ruimte die het creëert, ik heb dat geprobeerd in #1523 te verwoorden. Dat is de paradox waar ik op stuit en dat is misschien ook een antwoord op vragen die ik wel eens krijg naar mijn belangstelling voor religie terwijl ik een atheïst ben. Mensen vullen die leegte, die afwezigheid voortdurend op met allerlei prachtige religieuze, wereldbeschouwelijke, filosofische verhalen. Het is niet dat die leegte in plaats van godsdienst moet komen, het is een leegte de ruimte biedt om juist creatief te zijn en de meest fantastische zingevende verhalen de verzinnen. Het is een basis voor kunst. Het enige waar ik me daarbij tegen verzet is de verabsolutering van die verhalen en de veelal negatieve gevolgen daarvan. Ik ben geen godsdienst-basher, zo'n atheïst die elke opvliegende duif met zijn wetenschappelijke methode en argumenten probeert neer te knallen. Liever zie ik iemand die oprecht gelovig is of op z'n minst oprecht veinst dat hij gelovig is.

Terug naar Emerson, want eigenlijk gaat het me in deze brief niet eens zozeer om zijn theorie, maar om de wijze waarop hij schrijft. Ik herkende ogenblikkelijk vanaf de eerste bladzijde dat vertrouwen en optimisme, die twinkeling waar jij zo patent op hebt. De wijze waarop hij over de natuur kan schrijven, doet me denken aan die prachtige taal van de Engelse romantici waartoe jij me altijd probeerde te verleiden. Kijk ook eens naar alle foto's en portretten van Emerson, bijna altijd een glimlach en vriendelijke ogen.

Misschien was het voor hem gemakkelijker om de natuur zo'n grote waarde toe te dichten. Hij leefde in een Amerika zonder auto's, zonder vliegtuigen, zonder internet met zijn sociale media en nog nauwelijks industriële ontwikkeling. Ik stel me voor dat hij zo uit zijn huis een immens prachtige natuur kon inlopen. Het was ook op zijn landgoed dat Henry David Thoreau zijn hut bouwde en er zijn wandelingen maakte. Vergelijk dat eens met het bos waarin ik soms wandel, waar het nooit echt stil is, altijd hoor je er het gebrom van de economisch snelweg of het voorbijruisen van de treinen. Maar zelfs dan ervaar ik een stilte die ruimte tot gedachten biedt die meer zijn dan de som der delen, het sijpelt zo nu en dan door in mijn schrijfsels. Als dat voor mij geldt, dan zou dat helemaal voor Emerson kunnen gelden. Of voor Nietzsche die urenlang door de Zwitserse Alpen wandelde. Ik kan me voorstellen dat hij meer affiniteit voelde met Emerson dan met de donkere gedachten van Schopenhauer of met de grootheidswaanzin van Wagner.

Soms zou ik wensen dat ik even in de tijd terug kon reizen, naar de wereld van Ralph Waldo Emerson. Maar op een dag ga ik jou opzoeken, naar jouw plekje midden in de bergen en dan gaan we samen wandelen om onze gesprekken voort te zetten. Dan zal ik ongetwijfeld weer mopperen op de mensheid en dan zal ik je aankijken, die twinkel weer zien, het vertrouwen en optimisme weer voelen. Het komt allemaal weer goed, ook als het niet goed komt. Vooralsnog laaf ik mij aan de taal van Emerson.

Vaert wel ende levet scone,
jwl

24 november 2017

1626

In zijn roman De opdracht werkt het. Een kortademige stijl vol herhalingen. Het duurde even, maar na bijna honderd bladzijden van het vuistdikke boek had ik de smaak te pakken. Toen zat ik als lezer vast in het hoofd van de verteller, een hoofd vol angsten, verwachtingen, euforie, voornemens, teleurstellingen. Wessel te Gussinklo roept een beklemmende sfeer op waarbij je langzaam maar zeker kopje onder gaat, zonder dat je maar iets aan het lot van de personages kunt veranderen. Een enkele keer wekt de hortende en stotende herhalingen ergernis op als Te Gussinklo te lang de spanning probeert op te bouwen, maar de stijl versterkt de inhoud en dat maakt het boek tot een bijzondere leeservaring.

In zijn essay Wij zullen aan God gelijk zijn werkt het niet. De kort­ademigheid van de roker en de drinker aan de toog die enthousiast met grote gebaren aan het vertellen is over veel te brede onderwerpen, schiet zijn doel voorbij. Zoals ik met vrienden wel eens de problematiek van de wereld en het leven doorneem, waarbij wij natuurlijk altijd achter ons glas wijn de juiste analyses en oplossingen weten. Te Gussinklo doet het niet voor minder. Ideologieën, religies en de hele geschiedenis komt langs. Ik zie hem verwoed typen, struikelend over zijn woorden, een niet te stuiten gedachtenstroom. Niet dat Wessel te Gussinklo geen interessante ideeën heeft, integendeel, zijn analyses van vergelijkbare partronen in opkomst, succes en neergang van ideologieën zijn zeker de moeite waard. Maar het boek had door het schrappen van de vele herhalingen, door het bekorten van de eindeloze zinnen met bijzinnen, gedachtenstreepjes, tussen haakjes en daarbinnen ook nog eens tussen haakjes, zeker de helft dunner kunnen zijn en ik vrees dat er dan een flinterdun verhaal was overgebleven. Helemaal ergerniswekkend is dat Te Gussinklo zelf signaleert dat hij herhaalt ('ik zeg het nog maar eens', 'zoals ik al eerder zei') en zelfs herhaalt dat hij zichzelf herhaalt. Te Gussinklo kan geen maat houden, is vol van zijn boodschap en dat maakt het essay tot een drammerig boek. Anderen zullen het wellicht bevlogenheid noemen. Ik betrap mezelf erop dat ik bij elke volgend hoofdstuk hoop op iets nieuws of op z'n minst de suggestie van ontwikkeling, maar ik krijg eigenlijk steeds hetzelfde met een andere garnering opgediend. Dat stelt teleur en dan verlang je naar het einde van het boek, want uitlezen zal ik het, dat dan weer wel.

16 november 2017

1625

Christian Krohg (1852-1925)
Villa Britannia, Belgium (1885)

11 november 2017