silence · simplicity · solitude

1769

29 maart 2020

We lopen door verlaten straten.

Mensen worden ziek, er vallen doden. Mensen moeten binnen blijven, bewaren afstand. Het is stil geworden.

Ogen kijken alsof bij iedereen een geest op de schouder zit, een geest van misschien. Mannen en vrouwen gaan bedachtzamer, trager, alsof de wereld een klooster geworden is en zij met hun winkelwagentjes door kloostergangen denderen.

De lucht is ontsmet en de tijd vooruit gezet.

De economie is geworden als passerende bussen met eenzame bestuurders. Er blijkt geld te zijn. De vraag wat is werkelijk belangrijk wordt weer gedeeld. Er is het ongelijk van de ongelijke verdeling.

Er is leegte en waar ruimte is, is mogelijkheid.

Het leven is online geworden. Wifi leidt tot nieuwe verbindingen en nieuwe contacten. Mensen zorgen voor elkaar, de intensive cares zijn overbelast. Daar wordt het leven tot de kern teruggebracht.

Is het een revolutie zonder barricades en geweld? Of wordt alles weer zoals het was met slechts een herinnering? Geven we betekenis aan wat zinloos is?

Het is avond. Ik wandel verlaten door straten. De wind waait me gedachten toe. – Beloved, I walk alone ... / What ghost is this that walks with me, / Always in darkness walks with me?

1768 | dagboek van een lezer (3)

20 maart 2020

[ Het gebeurt maar zelden. Nee, eigenlijk gebeurt het nooit. Dat lezers vragen of er nog iets nieuws komt. Meestal begin ik zelf te vertellen, dat er nog 'iets' op de plank ligt en dat ik niet weet of het nog wat gaat worden. Die plank is een html-document genaamd 'klad'. Het is een parkeerplaats van teksten waar een enkele tekst al jaren ligt te verstoffen, andere op een dag in de prullenbak verdwijnen, maar er zijn er ook die niet 'af' zijn, maar die ik niet weg kan gooien en waarvan ik weet dat ik ze ook nooit 'af' zal krijgen. Onderstaande tekst is zo'n tekst. Ik plaats het nu, omdat ik verder wil met de reeks. Het ligt al sinds oktober op de plank, het wordt tijd om het er af te nemen, in een fles te stoppen en het in de virtuele leegte te werpen. ]

Het voornemen om De huid van chagrijn grondig te herlezen en daarbij herinneringen op te halen uit mijn vroege jeugd, strandde even snel als dat dat het voornemen was opgekomen. Ondanks mijn hernieuwde fascinatie voor het boek van De Balzac, drong zich ineens een andere wens op, de wens namelijk eindelijk eens dat boek van Goethe, Italiaanse reis, te gaan lezen. Een extra stimulans daarbij was, dat de biografie Goethe van Rüdiger Safranski als paperback verscheen en daarmee voor mij betaalbaar werd. Enhousiast als ik ben voor het werk van Safranski kon ik de verleiding niet weerstaan. Safranski weet als geen ander zo over filosofen en auteurs te schrijven dat ik als lezer in ieder geval tijdens het lezen de illusie krijg de geportretteerde auteur of filosoof te begrijpen, zelfs een weerbarstig denker als Martin Heidegger. En zo dompelde ik me onder in het leven en werk van Goethe, terwijl er in mijn alledaagse leven grote veranderingen gaande waren.

In mijn middelbare schooltijd kocht ik in de weken voor de zomervakantie vaak een lijvig boekwerk. Het idee was om voldoende te lezen te hebben in de lege weken van de zomervakantie, de weken dat ik niet met mijn ouders op vakantie was in het buitenland en ik mijn alleenzame uurtjes wilde vullen. Weliswaar was dit ook de tijd dat ik vele vele uren naar muziek luisterde, maar ter afwisseling wilde ik een boek voorhanden hebben dat schitterend zou zijn en waarmee ik vele avonduren in zou kunnen leven. Zo las ik op zwoele zomeravonden boeken van Dickens (David Copperfield!) Thomas Mann, Tolstoj, Toergenjev enz. Soms gebeurde het dat ik het boek al uit had voordat de vakantie begonnen was, maar dan herlas ik het gewoonweg. Zo las ik Doctor Faustus in korte tijd tweemaal. Deze traditie raakte in het slop, maar een aantal jaren geleden besloot ik de traditie in ere te herstellen. De Italiaanse reis zou het boek zijn, maar het kwam er niet van en zo stond het boek jaren ontevreden en ongelezen in mijn kast.

Het is moeilijk om de stijl van een schrijver te beoordelen aan de hand van een vertaling. Maar als de vertaling van Wilfred Oranje een goede afspiegeling is van het Duits van Goethe, dan kan ik tot geen andere conclusie komen dat Goethe beschikt over een zeer heldere stijl. Nietzsche roemde zijn stijl, Goethe was één van de Duitse schrijvers die hij kon verteren. Nietzsche zal ongetwijfeld de Italiaanse reis gekend hebben (#1540). Het zal Nietzsche evenmin ontgaan zijn dat de reis van Goethe door Italië een levensveranderende ervaring is geweest en zal dat instemmend tot zich genomen hebben. Nietzsche had in zijn werk een nadrukkelijke voorkeur voor de mediterraanse cultuur tegenover de in zijn ogen verstofte cultuur van de Duitse filisters.

1767

2 maart 2020

We zijn ertoe veroordeeld rekening te moeten houden met het feit dat aan alles een stuk duisternis kleeft.
Peter Sloterdijk Filosofische temperamenten, 27

Onthouding is voor de modernen het moeilijkste woord van de wereld.
Peter Sloterdijk Filosofische temperamenten, 118

Want de spontane levenservaring van de meeste mensen leert dat in hun geval het redelijke nog niet het werkelijke en het werkelijke nog niet het redelijke is.
Peter Sloterdijk Filosofische temperamenten, 120-121

Het centrale punt, waarom alle liefdeslisten der burgers draaien, is de paring, de meest besproken en tegelijk meest verzwegen daad.
Menno ter Braak Het carnaval der burgers in: Verzameld werk. Deel 1, 56

De maatschappij behoeft overal en altijd het burgerlijk excuus voor de toewijding, die zij aan de fantasie verspilt.
Menno ter Braak Het carnaval der burgers in: Verzameld werk. Deel 1, 56

Iemand die wil migreren naar een welvarender werelddeel doet hetzelfde als een investeerder die zoekt naar het meeste rendement voor zijn kapitaal.
Caspar Thomas Verdeel en beheers. Een andere kijk op bezit in: De Groene Amsterdammer 2020/8, 33

Het is een eigenaardigheid van tijd, dat hij later zo compact lijkt, een ondeelbaar massief voorwerp, een gerecht met maar één geur en één smaak.
Cees Nooteboom Rituelen, 20

1766

1 maart 2020

Hij zat in zijn stoel toen ik hem terugvond, zoals hij daar wel vaker zat, handen op de leuningen, eindeloos turend naar de vloer. Soms keek hij op en dan keek hij niet naar mij, nee, dan keek hij langs mij heen naar buiten, alsof daar ergens in de verte, in het vallende duister van de avond, iets te zien was.

Altijd beducht voor de blik van de ander, hij was niet iemand die mensen in de ogen keek. Hij vond zichzelf een oren-mens en geen ogen-mens. Literatuur, zei hij, literatuur lees je niet met je ogen, maar met je oren. Literatuur heeft een stem, goede literatuur ademt en spreekt, zoals muziek.

Hij was allang geen liefhebber meer. Voor iemand die muziek had gestudeerd, luisterde hij nog maar heel weinig. De mooiste muziek is de stilte, zei hij, en dan niet zoals in dat stuk 4'33" van John Cage, dát is gekunsteld, dan maak je van stilte een performance, dat is stilte in een kooitje en dan glimlachte hij minzaam om zijn woordgrapje. Nee, de mooiste muziek klonk als er niemand was om te luisteren, vond hij. Muziek moet je eenvoudigweg horen, zoals de geluiden die je hoort als je door het bos loopt. Die geluiden zijn er spontaan, intentieloos. Soms heb je het geluk dat je muziek hoort tijdens een wandeling, als je niet luistert.

Ik begreep er niet veel van, maar hij kon altijd al moeilijk tot de kern komen, hij cirkelde altijd om de hete brij heen. Ik moet praten om erachter te komen wat ik vind, verzekerde hij mij, maar tegelijkertijd wil ik dat het gesprek nooit eindigt, ik wil niet vast komen zitten in overtuigingen. Soms voeren wij die gesprekken tijdens wandelingen of wanneer hij zit te schrijven en soms zelfs wanneer hij aan het lezen is. Wandelen, schrijven, lezen, het komt uiteindelijk allemaal op hetzelfde neer.

Dat hij de mensenwereld niet begreep, dat hij de mensenwereld maar absurd vond. Iedereen probeerde Iemand te zijn, Belangrijk, Gelukkig. Geluk, dat was het meest overschatte woord, vond hij. Met seks een als goede tweede, voegde hij er met een ondeugende twinkeling in zijn ogen aan toe, seks wordt zwaar overschat.

Dat oeverloze streven naar geluk, naar een gelukkig leven, dat moest maar eens afgelopen zijn. Niet dat hij iedereen ongelukkig wenste, dat natuurlijk niet, maar er moest nog een derde mogelijkheid zijn, al wist hij niet hoe dat te omschrijven. Juist als je het zou proberen, zou het je ontglippen. Net als de muziek waar je niet naar moest luisteren, want dan hoorde je het niet meer.

Wij consumeren geluk, vond hij ook. Zoals het kopen van spulletjes een tijdelijk prettig gevoel kan geven en we dus voortdurend moeten blijven kopen om de herhaling van dat fijne gevoel te krijgen – en dus moeten we centjes verdienen om maar te kunnen blijven kopen, ziedaar de kern van onze economie –, zo zijn we steeds weer op zoek naar het ervaren van geluk. Uiteindelijk worden we daar niet gelukkiger van. De consument is als een roker verslaafd aan het consumeren, de consument is altijd weer op zoek naar de volgende kortstondige bevrediging en die bevrediging verwarren we met geluk.

Misschien word je wel gelukkiger als je er juist niet naar zoekt, zei hij een keer met veel aplomb en keek me toen zowaar in de ogen, al zou ik me dat ook kunnen verbeelden. Misschien vind je dan juist iets waar je wel gelukkig van wordt, lachte hij en we dachten samen aan Poeh en de Kuil. Het bracht hem bij zijn stokpaardje, dat hij toch echt vermoedde dat juist in al dat streven naar een betere wereld, dat juist in dat streven alle ellende verborgen ligt dat men wil bestrijden. Wat zou er gebeuren als we zouden stoppen de wereld te verbeteren, riep hij dan retorisch uit. Wat zou er gebeuren als we niet voortdurend onze eigen versie van een betere wereld aan anderen zouden opleggen die ook weer hun versie van een betere wereld hebben.

Kijk, riep hij plotseling opgewonden, kijk dan naar buiten en zie wat de mens met de wereld gedaan heeft. De mens leeft als een parasiet, leeft ten koste van dat andere organisme, de aarde. Hoe mooi zou deze planeet nog zijn, als de mens er niet geleefd had!

Het maakte hem somber dat hij niet meer in deze wereld kon zijn zonder het voortdurende bewustzijn van het zinloze gewriemel van al die mensen, van de absurditeit, van de lachwekkendheid. Hij wist dat hij er onderdeel van was, maar tegelijkertijd voelde hij een enorme afstand. (Vaak dacht hij aan dat roodharige jongetje op het schoolplein.) Hoe zou hij op deze wijze in volle ernst nog iets kunnen bijdragen aan de samenleving?

Dan loop je naar je werk en dan kijk je van buiten naar binnen en dan zie je al je collega's zitten aan hun bureau, loerend naar een beeldscherm en dan denk je, hoe is mogelijk dat een diersoort dat zichzelf zo intelligent vindt, dit heeft weten te bereiken? Wat hebben we onszelf aangedaan? Hoe diep treurig is dit eigenlijk? En dan maken we onszelf wijs dat het Nodig is en Belangrijk en dat het allemaal Beter wordt, ooit in de verre toekomst. Wel, die toekomst duurt een eeuwigheid en ik kan je verzekeren dat vooral het einde van die eeuwigheid erg lang duurt. Om vervolgens ook zelf plaats te nemen aan zo'n bureau met een beeldscherm.

Dan staat hij op. Hij loopt naar zijn laptop en zoekt de muziek van Schubert. Strijkkwartetten van Schubert, daarin vindt hij tegenwoordig zijn troost. Juist in de somberheid van Schubert vindt hij herkenning en koestert hij de illusie dat hij niet de enige is. Ze bestaan nog, mensen die schoonheid weten te creëren, ook heden ten dage nog, enkelingen die de hoop vasthouden, die voorbij deze wereld van consumentisme kunnen kijken, enkelingen die de moed hebben, die nog durven spreken van waarachtigheid en schoonheid. Mensen die de muziek nog horen en een stem geven.

Dan komt die glimlach, die glimlach die ik zo goed ken uit de tijd dat we in het vallende duister langs de grachten van Amsterdam liepen, soms zwijgend, soms eindeloze gesprekken voerend. En terwijl hij luistert naar Rosamunde hoor ik hem denken ik weet dat je er bent en ik zou zo graag wat van je horen en dan weet ik dat hij voorbij tijd en ruimte aan mij denkt. Aan zijn beautiful demon.