Taizé zomer 1986: my beautiful demon (4)

Het verhaal dat ik hier opschrijf heb ik al zovaak willen opschrijven. Het is er nooit van gekomen. Zoals ik het hier opschrijf is het ook nog niet goed, maar ik moet ergens beginnen. Het boek Portret van een jongeman heeft als katalysator gewerkt. Coetzee durft onomwonden zijn waarheid te schrijven op een wijze waar ik alleen maar jaloers op kan zijn. Als je je eigen verhaal wilt vertellen moet je het dus zo doen. Ik zou willen dat ik mijn verhaal zo zou kunnen verliteraturen, maar voor het schrijven van literatuur heb ik nooit het heilig vuur gehad. Bij mij ligt geen roman in de bureaula. Bovendien boeit ego-literatuur mij vaak niet, het is vaak zo pathetisch; een valkuil waar Coetzee niet ingevallen is.

Hoe kijk je terug op jezelf? Het is als met oude foto's van jezelf: je weet dat het ooit jouw lichaam is geweest dat daar gefotografeerd is, maar wat er allemaal in dat hoofd omging weet je niet meer. Veel gedachten kan ik terugvinden in mijn dagboeken, maar dagboeken zijn verraderlijk. Ze vertellen maar het halve verhaal, de grote gebeurtenissen en de kleine gebeurtenissen, maar nooit de ruis daartussenin. Onlangs heb ik de zwarte doos weer eens tevoorschijn gehaalt waar naast de correspondentie met vrienden en vriendinnen ook de dagboeken inzitten. De zwarte doos moet naast vrouw en kind, naast de foto-albums en familievideo's, als eerste gered worden mocht het huis in vlammen opgaan. In de zwarte doos zitten de gesprekken van lang geleden, gesprekken met mezelf en met dierbaren. Helaas zijn de brieven maar halve gesprekken: alleen de antwoorden, mijn aandeel ligt – hoop ik – in de zwarte doos van iemand anders.

Maar wie was ik toen ik achttien was. Als ik mijn dagboeken teruglees moet ik wel diep ongelukkig geweest zijn, maar zo herinner ik mezelf niet. Ik was meer de jongen die net niet als laatste overbleef als er groepjes gekozen moesten worden. Ik was de jongen waar maar zelden iemand bij ging staan als hij aankwam op school, behalve dan door de jongens die in hetzelfde schuitje zaten. Jongens, nooit meisjes natuurlijk. Meisjes waren grote mysteries op afstand. Ik kon naar ze kijken, ik zou contact met ze willen, maar ze zagen mij niet. Begrijpelijk, want ik was geen opvallende verschijning, eerder saai. Ik was niet vlot of populair. Ik had vreemde hobby's: ik speelde kerkorgel en piano en ik hield van klassieke muziek en ik las vrijwillig moeilijke boeken. Dat wisten ze niet, maar dat straalde ik uit. In grote groepen had ik een schuchtere, onzekere uitstraling. Ik voelde me alleen veilig bij een paar vrienden en vooral thuis. Natuurlijk wilde ik er wel bij horen, natuurlijk wilde ik een leuke vriendin die mij zou begrijpen. Aangezien dat toch niet zou gebeuren kon ik mijn eenzaamheid maar beter cultiveren en maakte ik er iets bijzonders van. Ooit zou iemand wel doorhebben hoe bijzonder ik was. Ooit ... en ondertussen koesterde ik mijn illusies. Ik was gelukkig op mijn manier in mijn wereldje. Wel een wereld dat nodig doorgeprikt moest worden.

Im Treibhaus

Hochgewölbte Blätterkronen,
Baldachine von Smaragd,
Kinder ihr aus fernen Zonen,
Saget mir, warum ihr klagt?

Schweigend neiget ihr die Zweige,
Malet Zeichen in die Luft,
Und der Leiden stummer Zeuge
Steiget aufwärts, süßer Duft.

Weit in sehnendem Verlangen
Breitet ihr die Arme aus,
Und umschlinget wahnbefangen
Öder Leere nicht'gen Graus.

Wohl, ich weiß es, arme Pflanze;
Ein Geschicke teilen wir,
Ob umstrahlt von Licht und Glanze,
Unsre Heimat ist nicht hier!

Und wie froh die Sonne scheidet
Von des Tages leerem Schein,
Hüllet der, der wahrhaft leidet,
Sich in Schweigens Dunkel ein.

Stille wird's, ein säuselnd Weben
Füllet bang den dunklen Raum:
Schwere Tropfen seh ich schweben
An der Blätter grünem Saum.

Mathilde Wesendonck Wesendonck-Lieder