Stel - in het jaar 4003 wordt als volgt over onze tijd geschreven:

Er was aan de ene kant sprake van een enorme toename van de welvaart en van de bevolking, aan de andere kant werden mensen teruggeworpen op zichzelf en verkeerden ze in grote geestelijke nood. Dit had tot gevolg dat velen op zoek gingen naar een nieuwe zingeving. Het wemelde daarom ook van nieuwe religies of zingevingssystemen, van religieuze leiders en guru's, die op veel verschillende manieren een antwoord probeerden te geven op de geestelijke malaise van die tijd. Veel mannen verlieten hun familie om te zoeken naar een antwoord op hun gevoelens van zinloosheid binnen de nieuwe welvaartssituatie.

Helemaal vreemd zou dat toch niet zijn, ook al voelt u aan uw theewater dat er iets niet helemaal klopt? Het is misschien ook iets te algemeen en zou op meerdere perioden in de geschiedenis van toepassing kunnen zijn. In ieder geval werd dit fragment geciteerd uit de inleiding bij de Theratherigatha, een nieuwe vertaling is bij Asoka verschenen (zie ook, voorlopig, de salontafel). Het is onderdeel van de beschrijving van het ontstaan van het boeddhisme. De zin die volgt op dit citaat is: De latere Boeddha was één van hen.