Ik heb zeker iets van een cynicus en een misantroop in mij, al probeer ik dat niet teveel te laten merken. Met ironie kom ik heel ver. De ergste cynici en misantropen zijn zij die gespeend zijn van elk gevoel van zelfkennis. Het zijn zeer onaangename mensen, rijp voor een baan als manager.

Amobrose Bierce (1842-1914?) had gelukkig wel gevoel voor humor. Zijn zwartgallige 'definities' in Het duivels woordenboek zijn sarcastisch, maar uitermate goed verteerbaar. Die Bierce heeft het begrepen. Mijn verbazing was wel groot toen ik erachter kwam dat het geen nieuw boek was (voordat ik het boek leende uit de bibliotheek had ik nog nooit van die man gehoord). De teksten werden tussen 1881 en 1906 voor het eerst gepubliceerd in The Examiner. Het is vooral een bladerboek en één van de eerste lemma's die ik aantrof was:

PESSIMISME – filosofie waarin de waarnemer gestijfd wordt door de invloed van de optimist met zijn vogelverschrikkers-blijmoedigheid en zijn afzichtelijke glimlach.

Nu was ik nieuwsgierig wat er dan wel bij optimist zou staan.

OPTIMIST – een aanhanger van de leer dat zwart wit is.

OPTIMISME – de leer of overtuiging dat alles mooi is, wat lelijk is incluis, dat alles goed is, speciaal wat slecht is, en dat alles juist is wat verkeerd is. Dit geloof wordt met de grootste overtuiging aangehangen door degenen die het meest gewend zijn aan tegenspoed en wordt bij voorkeur beleden met de grijns die een glimlach moet voorstellen. Aangezien het een blind geloof is, is het niet ontvankelijk voor het licht der bekering – een ziekte van het verstand, die door geen enkel medicijn behalve de dood te genezen is. De ziekte is erfelijk, maar gelukkig niet besmettelijk.

Het boek krijgt vreemd genoeg wel iets aandoenlijks. Waarom weet ik niet. Lees het!