Als rechtgeaard scepticus ben ik van mening dat we de waarheid niet zullen kennen, als deze al bestaat. Volgens mij heeft het leven, het bestaan geen ingebouwd doel of zin (het lichaam wel: overleven). Desalniettemin heb ik het altijd erg boeiend gevonden om boeken te lezen van mensen die zich daar niet bij wilden neerleggen. Van de Griekse Oudheid tot in de 21e eeuw, men blijft filosofie, theologie enz. enz. bedrijven en dat moet vooral zo blijven. Wat me opviel bij al wat ik gelezen heb is, dat de meeste zoekers er eigenlijk van uitgaan dat het antwoord op de vraag naar de zin van leven, het doel van het leven, iets positiefs zou moeten zijn. Alsof bij voorbaat al uitgesloten moet worden dat het antwoord op dit soort vragen iets verschrikkelijks zou kunnen zijn (bijvoorbeeld: de wereld is geschapen door satan om zich met ons te vermaken).

Opvallend vond ik een passage in een brief van de 21-jarige Friedrich Nietzsche aan zijn moeder. Nietzsche was theologie in Bonn gaan studeren, maar schijnbaar had de twijfel over zijn studiekeuze zijn intrede gedaan:

Kommt es denn darauf an, die Anschauung über Gott, Welt und Versöhnung zu bekommen, bei der man sich am bequemsten befindet, ist nicht viel mehr für den wahren Forscher das Resultat seiner Forschung geradezu etwas Gleichgültiges? Suchen wir denn bei unserem Forschen Ruhe, Friede, Glück? Nein, nur die Wahrheit, und wäre die höchst abschreckend und häßlich.

Arme moeder van Nietzsche. Graag had ze natuurlijk gezien dat haar zoon in de voetsporen van zijn vader trad. Maar dankzij de brieven van Friedrich krijgen we een aardige kijk op de overwegingen die hem bezighielden. Ik verdenk hem ervan dat hij al lang verder was, maar dat hij zijn moeder wilde sparen en stapje voor stapje wilde voorbereiden op de grote teleurstelling.

De laatste zin is een juweel. Het gaat om de waarheid, ook als deze verschrikkelijk zou zijn. Friedrich Nietzsche is deze gedachte trouw gebleven.