FÜNFTE SZENE

Strasse vor Mariens Tür. Heller Morgen. Sonnenschein.
Kinder spielen und lärmen. Mariens Knabe
auf einem Steckenpferd reitend.


DIE SPIELENDEN KINDER
Ringel, Ringel, Rosenkranz, Ringelreih'n!
Ringel, Ringel, Rosenkranz, Rin ...

(unterbrechen Gesang und Spiel,
andere Kinder stürmen herein)


EINS VON IHNEN
Du Käthe! ... Die Marie ...

ZWEITES KIND
Was is?

ERSTES KIND
Weisst' es nit? Sie sind schon Alle 'naus.

DRITTES KIND
(zu Mariens Knaben)
Du! Dein Mutter ist tot!

MARIENS KNABE
(immer reitend)
Hopp, hopp! Hopp, hopp! Hopp, hopp!

ZWEITES KIND
Wo is sie denn?

ERSTES KIND
Drauss' liegt sie, am Weg, neben dem Teich.

DRITTES
Kommt, anschaun!

(Alle Kinder laufen davon.)

MARIENS KNABE
(reitet)
Hopp, hopp! Hopp, hopp! Hopp, hopp!
(zögert einen Augenblick
und reitet dann den anderen Kindern nach.)


ENDE

Dit is het slot van een opera. Een paar jaar geleden ging deze opera ook in Amsterdam in de Stopera in produktie. Ik kende het stuk al goed en was voorbereid op dit slot. De uitvoering was zo overweldigend goed, dat het wel moest gebeuren aan het einde. Tranen. Soms voel ik me dan zo'n sentimentele klootzak, maar ik kan er niets aan doen. Misschien leef ik me teveel in, ik weet het niet. Misschien is het omdat er kinderen meespelen. Misschien is het ook wel goedkoop van de componist en de librettoschrijver om aan het eind van zo'n extreem expressieve opera te eindigen met het simpele gegeven van een spelende peuter die op harde wijze te horen krijgt dat zijn moeder dood is. En dan gewoon doorgaat met spelen en ... doek! Hoe dan ook, het werkt.

Mocht u ooit in de gelegenheid zijn en mocht u beschikken over oren die wel wat gewend zijn: beluister die opera en lees de tekst mee: Wozzeck van Alban Berg. Zorg voor een pak tissues binnen handbereik.