Wat heeft die film toch dat ik er steeds met plezier naar kijk, keer op keer: Four weddings and a funeral? Ik ken alle grappen zolangzamerhand. Ik weet hoe het afloopt. Is het het spel van de acteurs die op alle fronten goed is? Is het de overzichtelijke en ondanks de lengte van de film toch beknopte indeling? Is het omdat de film iets prettigs british uitstraalt waar ik zo van hou? Ik weet het niet, ik weet het niet. Deze film is een prettige uitzondering. Gisteravond zapte ik door na een vreselijk tegenvallende Kopspijkers (begint zolangzamerhand walgelijk pretentieus te worden) en besloot in ieder gaval weer even te genieten van het begin van de film en voordat ik het wist had ik de film alweer uitgekeken.

Vanochtend trof ik bij mij digitale post een bericht van iemand die de film ook had bekeken en zond me het gedicht van W.H. Auden op. Het is een prachtig gedicht. Elke keer als het gedicht wordt voorgedragen in de film neem ik me voor het gedicht eens op te sporen. Het is er steeds niet van gekomen. Wel, hier is het dan:

Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.

Let aeroplanes circle moaning overhead
Scribbling on the sky the message He Is Dead,
Put crepe bows round the white necks of the public doves,
Let the traffic policemen wear black cotton gloves.

He was my North, my South, my East and West,
My working week and my Sunday rest,
My noon, my midnight, my talk, my song;
I thought that love would last for ever: I was wrong.

The stars are not wanted now; put out every one:
Pack up the moon and dismantle the sun;
Pour away the ocean and sweep up the woods:
For nothing now can ever come to any good.