Het leven is van zichzelf goed noch kwaad: het is de plaats waar goed en kwaad geschieden in zoverre u het er naar maakt.

En als u één dag geleefd hebt, hebt u alles gezien; één dag is gelijk aan alle andere. Er is geen daglicht, geen andere nacht: deze zon, deze maan en sterren, deze hele constellatie is dezelfde als waarvan onze voorouders genoten hebben en die onze nakomelingen zal bezighouden:

Non alium videre patres: aliumve nepotes Aspicient.

Uw voorvaderen hebben niets anders gezien en uw nazaten zullen niets anders aanschouwen (Manilius, I, 522-523).

Michel de Montaigne Essays
Amsterdam 1997

Waar uw leven eindigt, daar eindigt het ook helemaal. Het nut van het leven ligt niet in de lengte ervan, maar in wat u ermee doet: sommigen hebben lang, maar weinig geleefd; zolang u er bent moet daar op letten. Het hangt van uw wil af, niet van het aantal jaren, of u voldoende hebt geleefd. Dacht u dan dat u nooit aan zal komen waar u onophoudelijk naar op weg bent? Toch heeft iedere weg zijn einde. En als gezelschap u kan troosten: gaat niet de hele wereld dezelfde gang als u?

idem.