Op het frontispies van dit boek staat een intrigerend werk, olieverf op doek, van Salvador Dalí, Il Divino. Hij heeft het gemaakt in 1951, het jaar waarin ook zijn Mystiek manifest is verschenen. Aan de constructie gaat wat destructie vooraf. Dalí 'citeert' een Madonna van Rafaël. Ze is nog te herkennen, maar ze is, zegt de Meester, geëxplodeerd. Vervolgens is er een tweede citaat, een ets, waarschijnlijk van Piranesi, waarin men gemakkelijk de koepel van het Pantheon in Rome herkent, niet geëxplodeerd maar opmerkelijk gaaf, met de opening waardoor zon en regen binnenvallen. In de surrealistische constructie van Dalï, die thuishoort in wat naar aanleiding van het Mystiek manifest zijn mystiek-nucleaire periode wordt genoemd, is de zwierige dynamiek van de figuurtjes in en om het gezicht van de Madonna verenigd met de harde steen van de koepel van het Pantheon en zon en regen hebben vrij spel. Het Madonnakopje is open naar of voor de wereld, weltoffen zou Scheler zeggen – maar dat komt later.

Zo zijn alle beelden van de mens in dit boek misschien geen deconstructies, maar wel constructies, waaraan vaak explosie en destructie zijn voorafgegaan. De ene constructie is geloofwaardiger dan de andere, maar in alle zullen wij iets herkennen van wat wij zijn.

J. Sperna Weiland De mens in de filosofie van de twintigste eeuw, 14