Het moet in de tijd geweest zijn dat ik dertien of veertien jaar oud was, de eerste keer dat F. langs kwam. F. kwam uit een gezin met acht kinderen: drie jongens en een meisje en nog eens drie jongens en een meisje. Onze ouders waren bevriend. Van de laatste drie jongens was F. de oudste. Alle drie waren het zeer intelligente jongens, ze haalden met gemak hoge cijfers op de middelbare school. Maar bij alle drie ging het in de pubertijd mis. F. kwam in een instituut, liep weg, werd soms uit de trein gehaald bij de Belgische grens. Schizofrenie luidde later de diagnose.

F. was vreemd, raar. Hij was stil en giechelde meisjesachtig. In het dorp werd om hem gelachen: heb je F. nog gezien, wat zag hij er weer niet uit hè?

Hij was veel ouder dan ik. Toen hij de eerste keer op een avond bij mij thuis kwam was hij kort geleden opgepakt door de politie omdat hij in een bibliotheek geprobeerd had boeken te verbranden. F. was pacifist, die boeken riepen op tot geweld en dus moesten die boeken vernietigd worden. F. was de eerste idealist die ik tegenkwam. Ergens mocht ik hem wel.

We hadden de liefde voor de klassieke muziek gemeen en hij kon ook schaken. Hij had wel zin om eens langs te komen om een potje te schaken en om over muziek te praten. We spraken af op een avond dat mijn ouders bij zijn ouders op bezoek waren.

F. hield vreselijk veel van de muziek van Mozart. Hij verzamelde alle muziek van Mozart en las er veel boeken over. Hij was de eerste bij wie ik een obsessie voor een bepaalde kunstenaar tegenkwam. Alles wilde hij weten, alle muziek wilde hij op lp hebben in de beste uitvoeringen. Natuurlijk besloot ik vrij snel om zoiets ook te gaan doen, het was dé manier om in ieder geval van één componist alles te weten te komen. Aaanvankelijk koos ik voor Johannes Brahms, maar toen ik eenmaal de muziek van Richard Wagner had gehoord veranderde dat snel ten gunste van de laatste. In mijn studietijd heb ik een dergelijke verzamelwoede nog een tijdje gehad met de muziek van Benjamin Britten, maar toen was ik al niet meer echt overtuigd verzamelaar. Zo'n obsessie ging ten koste van een bredere belangstelling, daar had ik lang voor nodig om dat in te zien. F. zag het eerder: enkele jaren na het eerste bezoek kreeg ik alle lp's van hem met muziek van Mozart. F. was altijd heel radicaal in zijn beslissingen. Ineens moest het anders en was er toch iets niet goed aan Mozart.

Maar er is ook een andere herinnering aan F. die ik niet gemakkelijk zal vergeten. Ik mopperde op een avond tegen hem over de moderne muziek (en daar bedoelde ik toen nog niet de pop of jazz mee, maar de 20e eeuwse 'klassieke' muziek). Ik had op een koncert muziek van Igor Strawinsky gehoord en ik vond dat geen muziek: het was chaotisch en lelijk. F. nam het voor Strawinsky op. Hij vroeg me of ik iets van Mozart op de piano wilde spelen. Ik speelde een deel van een sonate. Toen ging hij achter de piano zitten en begon in het wilde weg maar wat te spelen, hij sloeg als een kleuter op het klavier. Toen hij ophield keek hij mij aan en vroeg: leg jij me nu eens uit waarom dit minder poëtisch zou zijn dan Mozart. Ik was met stomheid geslagen. Meende hij dat nu echt?

Onbewust had hij een barst geslagen in mijn 'klassieke' ideeën over muziek en had hij mij geholpen op een andere manier naar muziek te luisteren. Soms moet ik nog wel eens aan F. denken als ik weer van die moderne 'plingplangplong'-muziek hoor. Waarom zou dat minder poëtisch zijn. Bedankt F. Ik weet nu dat muziek van Pierre Boulez of Karl-Heinz Stockhausen net zo poëtisch kan zijn als Mozart.

Soms hoor ik via mijn ouders nog wel eens iets over F. Het gaat wel goed met hem, zolang hij zijn medicijnen maar neemt. Ik vond dat er veel wijsheid in zijn gekte zat.