Bayreuth 1990 (3)

Op de ochtend van de grote dag, de dag dat ik voor de eerste keer een uitvoering in het Festspielhaus zou meemaken, had mijn hospita een overzicht uit de regionale krant geknipt met de lijst van alle uitvoerenden voor de komende avond. In de kantlijn stond: Einen schönen, aufregenden Tag für Sie! Herzliche Grüße. I. Br. De meeste namen op de lijst waren bekend voor mij: Daniel Barenboim als dirigent, Harry Kupfer de regisseur, John Tomlinson als Wotan, Matthias Hölle als de reus Fasolt, Günter von Kannen als Alberich, Anne Gjevang als Erda enz. enz.

Maar, zoals alle grote dagen, ze blijken uiteindelijk toch heel gewoon te zijn. Ik was gespannen, de klok kon niet zo snel genoeg richting 18.00 u tikken en wat duurt een dag dan lang als je niet meer kunt wachten. De mensen in Bayreuth hadden daar natuurlijk geen last van. Het weer werkte niet mee, het motregende. Ik dwaalde wat door Bayreuth na eerst wat gelezen te hebben in de Hofgarten, een park dat grensde aan Haus Wahnfried. Uiteindelijk het Königliche Operntheater nog bekeken met een prachtige barokke zaal uit 1748, geen groter contrast denkbaar met het Festspielhaus.

Het zal in of na 1849 geweest zijn dat Richard Wagner (1813-1883) het idee kreeg voor een nieuw operatheater. Hij was toen Kapellmeister aan het hof van de koning van Saxen in Dresden. Wagner was ontevreden over de mogelijkheden die hij had. Hij wilde vernieuwen, hij was idealist. Toen er in Dresden een volksopstand uitbrak bevond hij zich in een spagaat: hij steunde de anarchisten (hij had zelfs contact met Bakoenin), maar werkte anderzijds aan het hof. Wagner hield een rede waaruit blijkt dat hij zichzelf in een onmogelijke positie had gemanoevreerd. In die rede namelijk riep hij de koning op het voortouw te nemen in de socialistische revolutie! Wellicht was het slechts eigenbelang dat Wagner de revolutie deed steunen. Hij hoopte na de omwenteling wél zijn ideeën in praktijk te kunnen brengen, het ging hem niet om het volk, maar om zijn kunst. De opstand werd neergeslagen, Bakoenin werd gevangen genomen en tegen Wagner werd een arrestatiebevel uitgevaardigd, hij zou granaten hebben geleverd aan de opstandelingen. Wagner wist met hulp van Franz Liszt te onvluchten naar Zwitserland en moest jarenlang in ballingschap leven.

In 1849 had hij ook de eerste teksten voor Siegfrieds Tod geschreven (Wagner schreef zijn teksten zelf voor zijn opera's). Siegfrieds Tod zou uiteindelijk, 25 jaar later, uitgroeien tot het vierdelig werk Der Ring des Nibelungen. De complete Ring zou voor het eerst in première gaan in 1876 in het Festspielhaus in Bayreuth.

Wat was het nieuwe theater dat Wagner wilde? Wagner wilde muziek, tekst, toneel, decor, alle elementen van het muziektheater laten samensmelten tot het Gesamtkunstwerk. Niet de muziek, niet de tekst, niet de mooie kleding van de zangers is het doel van dit theater, maar slechts middel om het klassieke Griekse drama (althans, zoals Wagner dat interpreteerde) opnieuw tot leven te wekken. Ook het theatergebouw moest daartoe aangepast worden. Het was uiteindelijk de Beierese koning Ludwig II die de staatskas gebruikte om Wagner dat theater te laten bouwen, in Bayreuth.

Geen loges aan de zijkanten van de zaal, maar een democratische opbouw van de zaal. Zoals in een Grieks theater lopen de rijen met zitplaatsen in een halve cirkel omhoog. Het orkest werd uit het zicht onder het podium geplaatst (dat was nieuw in die tijd), zodat de dalende lijn van de zaal werd voorgezet onder het podium. De dirigent staat bovenaan en het slagwerk staat beneden. De orkestbak is zo afgeschermd dat het geluid eerst naar het podium gaat, zich daar vermengd met de zang en dan pas de zaal in gaat. Samen met een van de allermooiste akoestieken ter wereld levert dat een prachtig geluid op (ik herken zo wanneer een cd in die zaal is opgenomen). Ook uniek voor die tijd was dat het licht uitging tijdens een voorstelling. Was de voorstelling begonnen, dan kon men niet meer naar binnen. Het publiek moest totaal opgaan in de voorstelling. Er mocht niet gesproken worden, de illusie moest compleet zijn. Het Festspielhaus kreeg één van de modernste belichtingen in die tijd. Dit alles heeft Wagner voor elkaar gekregen. En als klap op de vuurpijl: de voorstellingen moesten gratis zijn, het diende ter verheffing van het volk! Dit laatste heeft Wagner nooit voor elkaar gekregen. De enige tijd dat de Festspiele gratis waren was tijdens het Derde Rijk, ter verheffing van de gewonde oostfrontsoldaten.

Ik was natuurlijk veel te vroeg bij het Festspielhaus, al was het erg leuk om al die andere gelukkigen te zien aankomen. Sommigen lieten zich de afstand van wel vijfhonderd meter van het hotel naar het theater met de taxi brengen. Alhoewel galakleding domineerde waren er ook veel mensen gewoon netjes. Ik ontwaarde zelfs een stel geheel gekleed in punk, ze hadden natuurlijk ogenblikkelijk mijn sympathie. Een kwartier voor de voorstelling komt er een selectie van het koper op het balcon een muzikaal motief uit de voorstelling spelen, dit ten teken dat de deuren open gaan en het publiek naar binnen kan. Ik was nerveus, maar kon mijn plekje (Balkon Mitte links, Reihe 4, Platz 7) gemakkelijk vinden. Stelt u zich geen luxe voor in dit theater. Overal zijn veel te kleine houten stoelen, een hele voorstelling uitzitten op dergelijke stoelen is een marteling. Ervaren Bayreuthgangers waren al snel te herkennen aan de meegebrachte kussentjes. Mijn relatief goedkope plaats bestond uit een bankje tegen een achterwand, waarbij de plaatsen door houten schotten van elkaar waren gescheiden.

Het doek ging open. Geen muziek. Alle hoofdrolspelers stonden op het podium, ze lopen het podium af en dan begint de Rijn in het orkest te stromen. Zo mooi kan het alleen daar klinken. Dat een orkest zo mooi kan klinken! Ik zat aan mijn houten bankje genageld. Dit moment zou ik de rest van mijn leven nooit meer vergeten.

Tweeënhalf uur duurt Das Rheingold, de Vorabend van de Ring, zonder pauze, van het begin tot het eind doorgecomponeert. Ik moet het als in een droom aan mij voorbij hebben laten gaan. De akoestiek was zelfs op mijn plekje ongelofelijk mooi. Harry Kupfer had een zeer dynamische personenregie gemaakt met overdonderende effecten in het decor: laserlicht. De relatief langzame tempi van Barenboim waren uitdagend, misten hier en daar wat kracht, was eerder lyrisch.

Rillingen bij het moment dat Alberich de liefde vervloekt. Rillingen bij het prachtige orkestrale intermezzo met de geluiden van aambeelden. Lachen om de humoristiche Loge die samen met Wotan de ring gaat stelen bij Alberich. Afgrijzen wanneer de reus Fafner zijn broer Fasolt dood. Het was een geslaagde uitvoering, ik had van het begin tot het eind als in een trance de voorstelling bekeken.

Maar wat er na de voorstelling gebeurde, zal ik ook nooit vergeten ... ik schreef het een paar dagen later op in mijn dagboek en soms vraag ik me nog af wat er in die surrealistische uren gebeurd is.

Bayreuth, donderdag 23 augustus 1990

(...) Toen ik terugliep naar huis richting binnenstad kon ik met mijn indrukken geen kant op. Op een gegeven moment liep er een mijnheer naast mij en begon een praatje met mij. Hij was ook voor het eerst naar de Festspiele. Een vriend van hem kon die avond niet en had de kaart aan hem gegeven. Hij nodigde mij uit om ergens wat te gaan drinken en we kwamen uiteindelijk in de Gästestube van zijn hotel uit. Het was me al snel duidelijk dat het een tamelijk welgestelde mijnheer was. Eberhard Kirsch was directeur van een schoorsteenvegerij in West-Berlijn. Hij was op doorreis naar Zuid-Duitsland en vertelde over zijn vele reizen, vooral cruises en met het vliegtuig naar Rio de Janeiro of Korea. Hij wilde wat eten en nodigde mij daartoe ook uit en ik mocht niet weigeren. Wel, ik begreep dat hij dan dus zou betalen en ook al voelde ik mij niet zo op mijn gemak, ik besloot maar te blijven en het vol te houden tot een juist moment zich zou aandienen om me te excuseren. Ondertussen at ik Sauerkraut met Würstchen. Gelukkig was hij erg vertels. Op een gegeven moment had ik de indruk dat hij het wel zat was en dus kondigde ik aan dat ik mijn bed wel wilde opzoeken. Eberhard rekenende af (DM 61) en keek me toen een tijdje strak aan waarop ik bewust niet terugkeek. Of ik nog een drankje wilde op zijn hotelkamer. Ik weigerde en gaf aan moe te zijn. Ik moest hem maar eens opzoeken in Berlijn en gaf me zijn adres. Twaalf uur was ik zeer vermoeid thuis. Achteraf denk ik dat Eberhard best eens op zoek had kunnen zijn naar een jongen voor de nacht. Stel je voor ...

De rekening met op de achterzijde het adres van mijnheer Kirsch heb ik nog steeds tussen alles wat ik van die week bewaard heb. Ik heb hem nooit opgezocht ...