Bayreuth 1990 (4)

De dagen na Das Rheingold verliepen in een vergelijkbaar patroon. 's Ochtends veel lezen, 's middags het stadje in en op tijd bij het Festspielhaus zijn. De voorstellingen van Die Walküre, Siegfried en Götterdämmerung begonnen om 16.00 u. Die stukken bestonden uit drie delen en dus had elke voorstelling twee ruime pauzes. Elke stuk duurt ongeveer vier tot viereneenhalf uur, dus voor zangers en zeker voor dirigent en orkest zijn deze pauzes absoluut noodzakelijk. Tussen de derde en de vierde voorstelling was sowieso nog een rustdag gepland.

De pauzes waren zeker ook de moeite waard. Ik vind er weinig over terug in mijn dagboeken, maar ik herinner me een groepje Spanjaarden die steeds druk pratend en gesticulerend met de tekstboekjes in de hand stonden te discuzeuren over – naar ik vermoed – de betekenis van één en ander. Eén van de onhebbelijkheden van Wagnerianen is dat ze de neiging hebben Wagner als een soort grootmoefti van de muziek te zien en voor hun is het Festspielhaus dan een soort tempel. De teksten van Wagner zouden dan vol diepere betekenissen zitten en die Wagnerianen hebben dan ook boekenkasten vol geschreven over de enige ware en juiste Wagnerinterpretatie. Laat ik eerlijk zijn: zo'n Wagneriaan ben ik ook geweest, maar in die tijd was ik al redelijk over mijn Wagnermanie heen. Ergo: zoals Taizé mij geholpen heeft me van mijn christelijke geloof af te helpen, zo heeft Bayreuth me geholpen snel en definitief het verzadigingspunt te bereiken wat de muziek van Wagner betreft. Ik kende de partituren van binnen en buiten, hele tekstgedeelten kende ik uit mijn hoofd en de mijn verzameling boeken bestond voor een te groot gedeelte uit Wagnerinterpretaties. U laat mij een paar seconden uit een stuk van Wagner horen en ik zeg u uit welk stuk, welke akte, welk moment en soms ook nog wie. Het is door studiegenoten getest indertijd en de resultaten verbaasden mij zelfs. Ik herinner mij dan ook dat mijn interesse voor die Spanjaarden niet zozeer de gedrevenheid van de deelnamers aan de discussie betrof, maar eerder het Spaanse meisje dat duidelijk de balen had van al die poeha. Het andere meisje wat steeds mijn aandacht trok stond achter een bar met veel te dure drankjes. Ook zij had een blik van 'geef mij maar disco'.

Van de vier voorstellingen vond ik Die Walküre het meest geslaagd. De eerste twee akten van Siegfried die naar mijn mening met veel humor gespeeld moeten worden, waren het minst geslaagd. De dirigent Barenboim overtuigde mij steeds meer, hij wist noten uit de partituur te halen die ik niet eerder gehoord had. Ik vind ook dat het orkest bij Wagner ook de mooiste rol heeft.

Het laatste stuk, Götterdämmerung, vind ik van de vier delen het mooiste en het boeiendste. Muzikaal moet het een worsteling voor Wagner geweest zijn. Tussen de tweede en de derde akte van Siegfried zit een cesuur. In die tijd heeft Wagner aan andere opera's gewerkt (Tristan und Isolde en Die Meistersinger) en een stevige ontwikkeling in zijn componeren doorgemaakt. Toen hij verder ging werken aan de Ring moest hij iets afmaken met muzikaal materiaal die eigenlijk niet meer paste bij zijn muzikaal idioom. Dat geeft vooral in Götterdämmerung een spanning die wellicht onbedoeld is geweest. In het verhaal wordt een climax bereikt en in het orkest kan de geoefende luisteraar horen dat er een strijd gaande is die niet alleen bij het vooral hoort. Wagner is een componist van contrasten – hij is één van de beste componisten die in staat is om in één enkele maat muzikaal de sfeer honderdtachtig graden om te draaien – en in Götterdämmerung verkent hij grenzen. De laatste scenes van de tweede akte waarin de vloek van de ring zijn ultieme werk doet, waarin bedrog en verraad de boventoon voert, die scenes grenzen aan waanzin zo nu en dan. De muziek wordt daar steeds heftiger, alle houvast wordt voortdurend weggenomen tot het ultieme moment waar de efgenaaam van Alberichs vloek, zijn zoon Hagen uitschreeuwt: 'Dir hilft kein Hirn, / dir hilft keine Hand: / dir hilft nur – Siegfrieds Tod!' Wagner benadrukte deze conclusie met een totaal onverwacht akkoord, dat even snel te voorschijn komt als het verdwijnt. De regisseur Harry Kupfer liet een stuk podium inzakken tijdens de voorstelling wat het effect nog eens versterkte. De held Siegried moet sterven, dat is waar het Wagner van het begin af aan om ging en met Siegfried gaat in de laatste akte de hele godenwereld in vlammen op. De vloek van Alberich is gebroken (Wagner breekt het muzikale leitmotiv ook af) en een nieuwe wereld komt tot stand. Harry Kupfer illustreerde dat heel cynisch in het slotbeeld: de bevrijde mensheid kijkt met een glas champagne in de hand naar de televisie, kortom: het publiek dat in de zaal zit. Ik verliet het Festspielhaus voor de laatste maal met een grote glimlach, maar vroeg me af wie in het publiek deze sarcastische boodschap van Kupfer ter harte zou nemen.

Mijn ouders haalden mij weer op uit Bayreuth. De muur was in 1990 al gevallen en we reden door Oost-Duitsland terug naar Nederland. Onderweg deden we het plaatsje Eisenach aan, de geboorteplaats van Johann Sebastiaan Bach. Achteraf symbolisch, want in de jaren na Bayreuth zou ik me steeds minder gaan interesseren voor Wagner en de 19e eeuw. Vooral de Oude Muziek had nu mijn interesse en de 20e eeuwse reactie op de Romantiek. Wagner, de muzikale hypnotiseur, werd steeds meer een typische fase in mijn pubertijd en adolescente jaren, de jaren van my beautiful demon. Ik ben nog éénmaal naar de Festspiele geweest, want ik stuurde nog steeds trouw de bestelformulieren elk jaar op. In 1997 kreeg ik kaartjes voor Parsifal en Tristan und Isolde. Meteen belde ik vrienden op om te vragen of ze eventueel belangstelling hadden voor beide voorstellingen, ik hoefde niet zonodig. Uiteindelijk zijn we samen gegaan, mijn vrouw en ik naar Parsifal en mijn vrienden naar Tristan und Isolde. Dat was de laatste keer, ik bestel al jaren geen kaartjes meer.