Er is een kant aan het boeddhisme waar ik moeite mee heb. Ik kan dat het beste illustreren aan een passage uit mijn favoriete boek, een boek waaruit ik hier wel vaker citeer. Ik noem dat boek dan ook wel eens gekscherend mijn bijbel. Toch is het frappant dat ik boekenkasten vol heb met zogenaamde grote literatuur en filosofie, maar dat ik – als het erop aan komt – altijd weer teruggrijp naar dit boek als ik een moeilijke tijd heb. Ik ken het boek zo goed dat ik het niet eens meer hoef te pakken, het zit – weliswaar niet letterlijk – in mijn hoofd.

We zien drie mannen rond een vat azijn staan. Ze hebben elk een vinger in de azijn gedoopt en geproefd. Uit de gezichtsuitdrukking van ieder van hen blijkt hun individuele reaktie. Aangezien het een allegorische voorstelling is, wordt ons te verstaan gegeven dat dit geen gewone azijnproevers zijn, maar vertegenwoordigers van de drie geestelijke stromingen in China en dat de azijn die zijn proeven de Essentie van het Leven is. De drie meesters zijn K'oeng Foe-tse (Confucius), Boeddha en Lao-tse, auteur van het oudste bestaande boek over het Taoïsme. De eerste kijk zuur, de tweede heeft een bittere uitdrukking op zijn gezicht, maar de derde man glimlacht.

Voor K'oeng Foe-tse deed het leven nogal zuur aan. Hij geloofde dat het heden niet in de pas liep met het verleden en dat het menselijke bestuur op aarde niet in harmonie was met de Hemelse Weg, het bestuur van het universum. Daarom legde hij de nadruk op eerbied voor zowel de Voorouders als voor de oude rituelen en ceremonieën waarin de keizer, als Zoon des Hemels, optrad als tussenpersoon tussen grenzeloze hemel en begrensde aarde. Het gebruik van strikt afgemeten hofmuziek, voorgeschreven passen, handelingen en frasen, dat alles vormde tesamen onder het Confucianisme een buitengewoon ingewikkeld stelsel van rituelen, die elk op een bepaald tijdstip voor een bepaald doel dienden. Over K'oeng Foe-tse werd dit gezegde opgetekend: 'Als de mat niet recht lag, wilde de Meester niet zitten.' Dat moet wel een aanwijzing geven voor de mate waarin men dingen doorvoerde onder het Confucianisme.

Voor Boeddha, de tweede figuur op de voorstelling, was het leven op aarde bitter, vervuld van gehechtheid en begeerten die lijden voortbrachten. De wereld werd beschouwd als een vallenzetter, een voortbrenger van illusies, een rondwentelend wiel van pijn voor alle schepselen. Teneinde vrede te verwerven vonden de Boeddhisten het noodzakelijk boven de 'wereld van het stof' uit te stijgen en het Nirvana te bereiken, letterlijk een toestand van 'geen wind'. Ofschoon de in wezen optimistische houding van de Chinezen het Boeddhisme aanzienlijk veranderde, nadat het werd ingevoerd uit zijn land van herkomst India, zag de vrome Boeddhist zijn weg naar het Nirvana toch vaak belemmerd door de bittere wind van het alledaagse bestaan.

Volgens Lao-tse kon de natuurlijke harmonie die vanaf het eerste begin bestond tussen hemel en aarde door iedereen worden gevonden, op ieder willekeurig tijdstip, maar niet door de regels van het Confucianisme te volgen. Zoals hij stelde in zijn Tao Te Tsjing, het 'Tao-boek der Deugd', was de aarde in wezen een afspiegeling van de hemel, geregeerd door dezelfde wetten – niet de wetten der mensen. Deze wetten beïnvloedden niet alleen de omwenteling van verre planeten, maar ook het doen en laten van de vogels in het woud en de vissen in de zee. Lao-tse meende dat hoe meer de mens ingreep in het natuurlijk evenwicht dat werd voortgebracht en geregeerd door de universele wetten, hoe meer de harmonie zich terugtrok in de verte. Hoe meer hij forceerde, hoe meer moeilijkheden. Zwaar of licht, nat of droog, snel of langzaam, alles droeg zijn eigen aard al in zich en deze kon men geen geweld aandoen zonder problemen te veroorzaken. Wanneer er van buitenaf abstracte en willekeurige regels werden opgelegd, was strijd onvermijdelijk. Pas dan werd het leven zuur.

Voor Lao-tse was de wereld geen vallenzetter, maar een leermeester die waardevolle lessen leerde. Zijn lessen moesten worden geleerd, precies zoals zijn wetten moesten worden nagevolgd; dan zou alles goed gaan. In plaats van anderen te adviseren 'de wereld van het stof' de rug toe te keren, raadde hij hen 'zich te voegen bij het stof van de wereld'. De werkzame kracht die hij zag achter alles in hemel en aarde noemde hij Tao, 'de Weg'. Een grondprincipe van Lao-tse's leer was dat deze Weg van het Universum niet adekwaat in woorden kon worden beschreven en dat het zowel voor zijn onbeperkte macht als voor de intelligente menselijke geest een belediging zou zijn daartoe een poging te doen. Toch kon men zijn aard bevatten en zij die de Weg, en het leven waarvan hij niet te scheiden is, het meest aan het hart lag, begrepen die het beste.

Benjamin Hoff Tao van Poeh
Den Haag 1988, 12-15

Ik vermoed dat er veel van het Taoïsme een weg gevonden heeft in het zen-boeddhisme. Maar, ik denk dat ik het maar houd bij het Poehisme. Al vind ik het leven vaak bitter en zuur, toch moet ik ook glimlachen. Per slot ben ik ook maar een mens met een klein beetje verstand.