'Ga je mee?'

Ik draaide me om. 'Pardon?' Ik keek haar aan. Werd mij hier een oneerbaar voorstel gedaan?

'Ga je mee?' zei ze nogmaals glimlachend. 'Op reis?'

Haar glimlach kende ik ergens van. Een glimlach van een demon. Een hele mooie demon, dat wel. Zo'n glimlach die pijlen afschiet, een glimlach die mensen meteen raakt. Innemend en optimistisch, een glimlach van iemand die zich altijd veel te snel in allerlei avonturen stort en weer van de koude kermis thuiskomt. Ik was vaker zo'n glimlach tegengekomen, ik kende die glimlachers. Ze bewegen zich vrolijk en energiek door de ruimte waarbij ze hier en daar een tafeltje met een kostbare vaas omgooien. Pas op dat ze niet in je kast met porselein terecht komen! Ik val als een baksteen voor ze. Uiteindelijk moet je ze altijd troosten omdat ze weer tegen vele lampen gelopen zijn. Het is een mooie, maar tragische glimlach.

Ik aarzelde, ik hield niet van reizen.

'Waar brengt de reis mij?'

'O, dat zie je wel, het zal je niet teleurstellen.'

Kom op, jwl, wees eens voor één keer avontuurlijk, zei ik tegen mezelf. Ik stemde in en we gingen meteen.

Ze stelde me niet teleur, het was een reis waar ik wel van hield. We zagen laagvlakten en hooggebergten. We spraken vele interessante en mooie mensen. Hier en daar bereikte mij een inzicht. We hadden plezier en genoten van onze eindeloze gesprekken. Het was fijn aan haar zijde en de reis had wel veel langer mogen duren, eeuwig misschien wel.

Het was me natuurlijk niet gegund. Op een dag liep ze naar iemand toe en zei 'Ga je mee?'. De persoon keek haar aan alsof hem een oneerbaar voorstel werd gedaan.

Teleurgesteld keek ik om me heen. Ik bleek thuis te zijn. Alles leek veranderd, maar ik besefte dat alleen ik veranderd was. Ik keek anders, ik luisterde anders. De wereld was hetzelfde gebleven.

Zo ongeveer zou je de ervaring van het lezen van een mooi boek kunnen omschrijven.