Wanneer ik iemand vertel dat ik muziekwetenschappen heb gestudeerd leidt dit vaak tot amusant gedrag. Afgezien van de standaardvraag 'wat kun je ermee' komen dan vaak de vragen 'wat vind jij van ...' en dan komt er meestal de favoriete muziek van de vragensteller. Als ik pech heb gaan ze die muziek ook nog laten horen, want dan blijkt maar al te vaak dat men mij met iets wil shockeren. Dan komt er een popband te voorschijn die wel eens wat met een klassiek werkje heeft gedaan en dat moet ik dan heel erg vinden. Of er komt wat hardrock of punk te voorschijn en de glimmende oogjes van de liefhebber kijken mij dan verwachtingsvol aan of ik al niet zit te huiveren. Schijnbaar is een muziekwetenschapper iemand die altijd op de American Eagle uit de Muppet Show lijkt. Ik doorsta dit maar gelaten.

Zouden ze nog bestaan op de middelbare scholen? De muurbloemetjes, de sociaal gehandicapten, de impopulairen, de jongetjes en de meisjes die niet voldoen aan de heersende norm van schoonheid, die altijd de verkeerde kleding dragen, de verkeerde muzieksmaak hebben, die boeken lezen en naar saaie muziek luisteren ... ach, u kent ze wel. Ik was er ook één, ik heb er niet onder geleden.

Ik kwam ze tegen bij mijn studie muziekwetenschappen: de gefrustreerden, de sociaal uitgekotsten. De eerste maanden was een paradijs voor ze, ze kwamen allemaal gelijkgestemden tegen. Met sommige raakte ik bevriend. Het waren geen gemakkelijke vrienden. Er was maar één gespreksonderwerp: muziek, muziek en nog eens muziek. Kwamen ze op mijn studentenkamer dan doken ze mijn platen- en bandjescollectie in. Dan werd er met verbazing de lp's van Madonna, Talking Heads, Jeanette Jackson, de bandjes van The Cure, Nina Hagen, Miles Davis en John Coltrane tevoorschijn gehaald. Dat riep om een verklaring, maar die gaf ik niet. Fundamentalistische klassieke muziek liefhebbers kun je niet uitleggen dat ook andere genres muziek mooi en interessant kan zijn. Over smaak valt te twisten en met sommigen is dat heel aangenaam, maar met muziekwetenschappers niet. Ik kan ze niet uitleggen dat hun beperking tot de historische muziek een zelfopgelegde beperking is, dat ze zichzelf muzikaal te kort doen, dat ze hun studieterrein onterecht inperken. Soms liet ik ze wel eens ter illustratie een nummer van Sting horen. Of ze het nu mooi vonden of niet, toch was het knap van Sting om de tekst van The Seven Brothers te illustreren aan de hand van een zevenkwarts maat en dat hij dat zo gedaan heeft, dat je er toch nog op kunt swingen. Soms probeerde ik ze uit te leggen dat onze westeuropese muziek een rijke geschiedenis kent qua harmonische en melodische ontwikkeling, maar dat we in vergelijking met andere werelddelen een schrijnend primitief ritmegevoel hebben. Het mocht allemaal niet baten.

Ondertussen schijnt het allemaal veranderd te zijn. Nog tijdens mijn studieperiode werden de eerste colleges jazz- en popgeschiedenis gegeven. De studie gaat mijn zijn tijd mee. (Ik schrijf hier over de studie in Utrecht, over Amsterdam – waar ook ethnomusicologie gestudeerd kan worden – kan ik niet spreken).

Klassieke muziek zal ongetwijfeld nooit echt van haar stoffige imago afkomen en dat moet vooral zo blijven. Veel mensen zullen het moeilijke muziek blijven vinden. Anderen zullen Bach altijd als zware muziek ervaren. Allemaal prima. Toch denk ik dat het niet aan de muziek zelf ligt. Ik heb gemerkt dat ik in staat ben om vrienden en bekenden in één avondje enthousiast te krijgen voor klassieke muziek. Een beetje vertellen, laten horen en uitleggen hoe het werkt. Ik snap best dat iemand een fuga van Bach saai en moeilijk vind. Geef mij 10 minuten om aan de piano uit te leggen wat een fuga inhoudt, geef mijn 10 minuten om het vervolgens te laten horen en ik verzeker u dat het slachtoffer binnen een half uur elke fuga van Bach zeer spannend zal vinden. Echt, zo moeilijk is het niet.