Onze verbazing. – Er ligt een diep en grondig geluk besloten in het feit dat de wetenschap dingen ontdekt die standhouden en telkens opnieuw de grondslag leggen voor nieuwe ontdekkingen: – het had immers ook anders kunnen zijn! Ja, wij zijn zozeer overtuigd van al de onzekerheid en fantasterij van onze oordelen en van de eeuwige veranderlijkheid van alle menselijke wetten en begrippen, dat het ons eigenlijk hogelijk verbaast hoezeer de resultaten van de wetenschap standhouden! Vroeger wist men niets van deze veranderlijkheid van al het menselijke, de zede der zedelijkheid hield het geloof staande dat het hele innerlijke leven van de mens met eeuwige krammen aan ijzeren noodzakelijkheid gehecht was – misschien ervoer men destijds een vergelijkbare wellust van verbazing, wanneer men zich sprookjes en feeënverhalen liet vertellen. Het wonderlijke deed die mensen zo goed, omdat ze de regel en de eeuwigheid van tijd tot tijd wel eens moe werden. Voor één keer de grond onder je voeten verliezen! Zweven! Dolen! Dol zijn! – dat hoorde bij het paradijs en bij het zwelgen van vroeger tijden: terwijl onze gelukzaligheid lijkt op die van de schipbreukeling, die aan land geklommen is en met beide voeten postvat op de oude, vaste aarde – verbaasd dat zij niet wankelt.

Friedrich Nietzsche De Vrolijke Wetenschap §46