Mijn vader had geen muzikaal talent, maar hij kon op zijn gehoor populaire deuntjes van de radio naspelen op zijn elektronisch orgel. De melodie vond hij als vanzelf en de harmonie verzon hij er zelf bij. Ik vond dat als kind al heel erg knap. Ik was een kleuter en zat met bewondering naar mijn vader te kijken als hij orgel speelde. Op een dag moet ik tegen mijn moeder gezegd hebben dat ik wilde dat ik ook muziek kon maken. Dan moet je je vader vragen of hij je dat wil leren. Dat wilde hij wel. Ik leerde noten lezen van mijn vader, in een tijd dat ik nog niet eens letters kon lezen. Het heeft misschien een half jaar geduurd, een half jaar met veel conflicten. Menige les verzande in geruzie en chagrijn, mijn vader stopte ermee. Ik ben zelf verder gaan spelen en leerde mezelf het eerste en tweede lesboek, daarna werd het moeilijker.

Ik zat al op de lagere school toen mijn moeder mij vroeg of ik misschien orgelles wilde. Het was haar niet ontgaan dat ik bijna elke dag achter dat instrument zat te spelen, soms uit een boek, maar soms ook gewoon wat improviseren. Klanken zoeken die mooi bij elkaar pasten. Ik wilde wel en zo werd de kerkorganiste van het Friese dorpje Menaldum waar ik ben opgegroeid gevraagd of ze mij orgelles wilde geven. Ze had nog nooit les gegeven, maar ze wilde er wel over nadenken. Ze stemde toe en zonder dat ze het wist begon ze met mij aan een hobby die spoedig uit de hand zou lopen: een paar jaar later had ze bijna mijn hele schoolklas op les, begon ze een kinderkoor en later een bejaardenkoor.

Van de lessen van mevrouw Herrema herinner ik me één les heel goed. Wat er precies gebeurd is weet ik niet meer, waarschijnlijk moest ik een passage die ik niet kon eindeloos herhalen en dat verdomde ik. Ik zal ongetwijfeld – net zo als mijn zoontje dat kan – chagrijnig en boos hebben gereageerd, onwillig om te doen wat ze wilde. Ze stuurde me woedend naar huis met een zin die ik nooit zal vergeten: 'Als je één van mijn dochters was had ik je voor je blote billen gegeven'. Dit was niet het einde van de lessen, maar op een gegeven ogenblik vond ze dat zij mij niet zoveel meer leren kon en mijn ouders gingen op zoek naar een professionele leraar.

Meneer Wieling, hij kwam uit het naburige dorp Berlikum. Elke zaterdagochtend kwam hij zingend en fluitend naar de deur, hij had duidelijk plezier in zijn vak. We mochten elkaar heel erg graag en hij begon mij vertrouwd te maken met de Oude Meesters. Bij hem leerde ik mijn eerste klassieke werkjes spelen. Hij leerde snel mijn drift kennen. In al die jaren dat hij mij les gegeven heeft heb ik hem maar één keer boos gezien. Ik smeet de muziekboeken door de kamer en hij beende woedend naar mijn ouders al roepend dat het zo echt niet langer kon. Een week later kwam hij weer fluitend en zingend aan de deur en hebben we het bijgelegd.

Toen ik in de (toenmalige) zesde klas van de lagere school zat trouwde mijn zus (ze is elf jaar ouder). Ik mocht het voor- en naspel van de kerkdienst op het kerkorgel spelen. Dat was een geweldige ervaring om zo'n enorm instrument te mogen bespelen. Mijn ouders maakten een afspraak met de kerkeraad en de koster: als ik op het kerkorgel mocht oefenen en daar les mocht krijgen storten zij maandelijks een bedrag in het restauratiefonds. Vanaf die tijd ging ik bijna dagelijks na school, als mijn vriendjes gingen voetballen op het schoolplein, naar de kerk om kerkorgel te spelen. Zaterdagochtend was ik er vroeg en als mijn leraar binnenkwam stond hij wel eens stiekem een tijdje te luisteren naar mijn improvisaties of een stuk van Bach. Ik leerde ook met mijn benen spelen, het pedaal had ik snel onder de knie. Wist ik veel hoe moeilijk het was om die preludes en fuga's van Bach te spelen, die stukken waarbij linker- en rechterhand en het pedaal een zelfstandige stem hadden. De stemmen liepen tegen elkaar in, duikelden overelkaar heen, soms met gekruisde armen, het was voor mij spel en in mijn onbevangenheid leerde ik het snel. Pas later ben ik gaan beseffen hoe moeilijk die stukken eigenlijk waren.

In mijn middelbare schooltijd begon mijn leraar te dromen dat er nu misschien toch een leerling van hem naar het conservatorium zou gaan. Hij begon mij ook theoretische zaken te leren: hoe onze westeuropese harmonieleer in elkaar stak, hoe de toonladders werkten. Daarnaast kreeg ik muziekdictees van hem: hij speelde een melodie en ik moest het dan op muziekpapier noteren. Uiteindelijk gingen we tot en met driestemmige muziekdictees. Ik heb later tijdens mijn studie muziekwetenschappen veel gehad aan deze trainingen.

Had ik talent? Hij geloofde vast en zeker van wel, maar ik geloofde er zelf niet in en achteraf denk ik dat ik gelijk had. Als ik naar het conservatorium was gegaan had ik piano willen studeren (ook daar had ik ondertussen lessen in gekregen van mijn leraar) en dan had ik ook concertpianist willen worden. Dat had er voor mij niet in gezeten: hooguit was ik een middelmatige pianoleraar op het platteland geworden die les zou hebben gegeven aan ongetalenteerde kindjes van ouders die vinden dat muziek bij de opvoeding hoort. Dat zag ik niet zitten en omdat mijn belangstelling voor muziek verder reikte dan het spelen ben ik muziekwetenschappen gaan studeren. Ik denk dat ik mijn muziekleraar daarmee heb teleurgesteld. Toen ik op kamers woonde heb ik hem nog wel eens gebeld, maar ik merkte al gauw dat zijn belangstelling geforceerd was. Ik had hem een droom ontnomen. Toen mijn moeder me opbelde dat hij overleden was hadden we allang geen contact meer. Ik ben toen achter de piano gaan zitten en speelde (zonder pedaal) een beroemd orgelwerk van Bach, dé Toccata en Fuga in d klein (BWV 565 als ik me niet vergis). Het was één van mijn en zijn lievelingswerken. Ik herinner me die zaterdag dat ik dat stuk bijna foutloos uit mijn hoofd voorspeelde. Hij was toen zichtbaar ontroerd. Nu had ik tranen in mijn ogen, mijn muzikale vader was dood.