Je houdt ervan of je verafschuwt het, een tussenweg schijnt bijna niet mogelijk te zijn. Laat ik het maar vast schrijven: ik vind opera één van de meest fascinerende muzikale vormen. Ook één van de meeste onmogelijke, want eigenlijk komen er verschillende kunstvormen bijelkaar: tekst (vaak beroerd), muziek, toneel, decorbouw, kleding, dans en ik vergeet vast nog wel wat. Om dat allemaal op elkaar af te stemmen is nogal wat organisatie vereist en om alles op een ordentelijke manier op dat podium te krijgen is een hele toer. Opera is niet alleen voor het publiek spannend.

De operahaters – of zij die het 'niet zo mooi vinden' – hebben doorgaans vooral een hekel aan de zang die zij niet mooi vinden: die gillende wijven op het toneel, vreselijk! Meestal hebben deze mensen slechts een bepaald soort opera op het oog, de 19e eeuwse opera en dan vooral de Italiaanse opera met de belcanto zangstijl. Dat is de opera van gouden strotten als Pavarotti, Placido Domingo en consorten. Dat is de opera van cdtjes met operafragmenten waar je van het ene larmoyante drama in het andere gestort wordt. Dat is opera van componisten als Donizetti, Bellini, Verdi en (20e eeuws) Puccini. Of misschien de opera van Wagner, al vind je die maar zelden samengevat op een cd.

Soms komen gespreksgenoten uiteindelijk met een bekentenis: nou ja, ze hebben toch een cdtje met opera: Maria Callas, dat is wel mooi. Tsja, dan noem je er ook één.

Eerlijk gezegd vind ik opera uit die tijd ook niet zo geweldig, al stoor ik me vaak meer aan de verhalen. De gemiddelde opera valt als volgt samen te vatten: de sopraan is verliefd op de tenor (of andersom) en de bas is er niet blij mee. Vaak loopt er dan nog een alt rond als schoonmoeder of oudere kamervrouw van de sopraan en een bariton als vriend van de tenor. Ik ben een keer naar La Traviata van Verdi geweest. Voor de gemiddelde operaliefhebber één van de toppers. Ik vond het verhaal volkomen ridicuul en de muziek zo kitscherig dat ik in de pauze besloot de derde akte maar niet meer te zien en te beluisteren.

Soms vertel ik mijn gespreksgenoot dat de 19e eeuwse opera een tijdlang dezelfde sociale functie heeft vervuld als tegenwoordig de voetbalstadions. Dat mag ik meestal uitleggen. Wel, de gemiddelde operazaal bestond uit loges en die werden gehuurd, vaak voor een heel seizoen. Noem het vip-rooms. Daar zaten mensen niet rustig te luisteren, nee daar werd handel gedreven. Alleen als er een aria, duet of wat dan ook werd gezongen was men even stil en ging men luisteren. Meestal kwamen de rijkeren pas na de eerste akte binnen bij de opera (reden waarom componisten vaak weinig aandacht schonken aan de eerste akte). Gedurende de eerste akte werd vaak gedineerd. In de tweede akte zat dan vaak een ballet, alwaar de maitresses van de rijke heren in meedansten, zo konden zij nog even genieten van het benenwerk. Enkele huurders/bezitters van zo'n loge hadden in het kamertje achter de loge niet alleen een tafel om eventueel contracten te tekenen, maar ook een bed geplaatst voor je weet maar nooit... Maar de gelijkenis met voetbal gaat verder, want vooral in Parijs is het nogal eens voorgekomen dat fans van een bepaalde componist op straat hele veldslagen uitvochten met fans van een andere componist. Ook kwam het voor dat men voorstellingen verstoorde met fluitjes, wat dan vaak weer tot vechtpartijen in het theater leidde.