Mijn vader was beroepsmilitair, hij werkte als administrateur op vliegbasis Leeuwarden. Soms mocht ik een dag mee. Dan kon ik 's ochtends vanuit het kantoor zien hoe de enorme betonnen hangars open gingen en de vliegtuigen tevoorschijn kwamen. Het was nog de tijd van de starfighters. Een enkele keer gingen we ook kijken bij het avondvliegen. Dan zaten we in de auto vlak bij het punt waar 's avonds de vliegtuigen startten. Als zo'n vliegtuig startte dan trilde de grond en de auto waar we in zaten, kwam er zo'n enorme vuurkolom uit de staart van het vliegtuig en met een bulderend geraas vertrok zo'n ding de donkere lucht in met een vuurbal achter zich aan.

Het zal geen verbazing scheppen dat ik als jongetje gefascineerd was door het leger. Ik speelde met soldaatjes, tanks enzovoort. Een echt besef van wat oorlog was had ik niet behalve dan dat het iets heel ergs moest zijn, maar met mijn onschuldige spel had dat natuurlijk niets te maken.

Ik ontdekte de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in zoveel delen van G.B.J. Hilterman in de kast van mijn ouders. Ik herinner me die boekjes nog goed: het waren pockets met een rode rug en in het midden van die rug was een wit gedeelte met het getal dat het deel aangaf. Elk deel begon met een lap tekst en dan volgde bladzijden lang foto's, foto's en nog eens foto's. Die foto's fascineerden mij als kind. Ze lieten een wereld zien die ik niet kende: de gruwelijke wereld van de Tweede Wereldoorlog. Hoezeer ik me bewust ben geweest van die gruwelijke kant weet ik niet meer, maar er stonden ook heel veel soldaten, tanks en schepen op. En ... die Duitsers díe waren machtig en sterk. (Wat betreft die gruwelijkheid: ik zal nooit vergeten dat ik op een dag getroffen was door een foto van een Japanse soldaat die op een eiland in de Stille Oceaan gedood was door een vlammenwerper; ik herinner me dat ik ontzettend lang naar die foto heb zitten kijken. Wat ging er in die man om? Had hij familie? Wie was hij? Ergens had ik medelijden met die man, al wist ik dat hij aan de verkeerde kant had gevochten.)

Een andere herinnering is een godsdienstles op de middelbare school. Als 16-jarige hield ik al erg van gesprekken voeren over levensbeschouwelijke onderwerpen. Het precieze onderwerp weet ik niet meer, ik denk dat de vraag op een gegeven ogenblik was of mensen die wel hele slechte dingen gedaan hadden nog mochten rekening op vergeving. Natuurlijk, zei ik meteen, Adolf Hitler was toch ook maar een mens. Grote ophef. Het is me door sommige klasgenoten lang nagedragen dat ik zo'n gedachte serieus kon nemen. Wekenlang werd ik geconfronteerd met feiten over de wandaden van de nazi's alsof ik die feiten zelf niet kende. Ik werd moe van het uitleggen dat het daar niet om ging, maar om de gedachte dat als een mens oprecht berouw heeft van wat hij heeft aangericht hij altijd zou kunnen rekenen op de vergevingsgezindheid van God. Dat was immers de uiterste consequentie van het Nieuwe Testament. Elk christen zou dit uiteindelijk moeten erkennen, hoe weerzinwekkend hij of zij die gedachte misschien ook zou vinden.

Ik werd pacifist en ik deed een beroep op de wet gewetensbezwaarden militaire dienst. Mijn kijk op de militaire wereld had gedurende de puberteit en adolescentie een draai van 180 graden gemaakt. Ik heb veel moeite moeten doen om dit uit te leggen aan mijn vader. Uiteindelijk kon ik hem geruststellen door te vertellen dat ik niets had tegen vaders had die hun hele leven hard gewerkt hadden voor hun gezin, ook al was dat met een militaire baan. Ik had niets tegen militairen, maar iets tegen het militaire syteem ... wat dat dan ook mocht zijn.

Mijn fascinatie voor de Tweede Wereldoorlog ging niet over. Ik bleef benadrukken dat we de onmenselijkheid van die tijd alleen in het juiste perspectief konden zien als we de nazi's als mensen bleven beschouwen. Het waren geen duistere krachten of demonen, geen beesten, maar mensen. Alleen dan zouden we inzien waartoe een mens in staat is.

Ik verbaasde mezelf keer op keer wanneer ik een fragment film zag van Adolf Hitler en zijn stem hoorde en dat die man een ongekende uitwerking op mij had. Nooit zal ik nazi worden, maar was ik een Duitser geweest in de jaren dertig van de vorig eeuw zonder de kennis van de geschiedenis die ik nu heb ... nou ik weet niet of ik zo sterk was geweest om de verleiding van die vreselijke waandenkbeelden te kunnen weerstaan temidden van zo'n tumultueuze tijd. Het eerste deel van de biografie van Hiltler door Ian Kershaw heb ik zonder verbazing gelezen. Zo kan het lopen in een mensenleven. Dát ontkennen is veel gevaarlijker dan het bagatelliseren ervan.

Gisteravond ben ik dan naar de film Der Untergang geweest. Een film gebaseerd op de getuigenissen van de secretaresse van Adolf Hitler: Traudl Junge. Iemand die hem van nabij als mens heeft meegemaakt.

Er schijnt een discussie geweest te zijn over het feit dat een man als Hitler hier als personage in een film wordt opgevoerd. Het zou het gevaar meebrengen dat je je als kijker zou inleven in die man en misschien medelijden met hem zou krijgen. Wel – en ik kan alleen voor mezelf spreken – ik heb geen enkele medelijden met dat personage gevoeld juist omdat Hilter als mens werd neergezet. Bruno Ganz heeft die rol overtuigend en prachtig neergezet. Of de film overeenkomt met de historische werkelijkheid kan ik niet beoordelen, maar als poging is de film in mijn ogen geslaagd. Zelden ben ik van het begin tot het eind zo in een film getrokken. Zelden was het publiek in de bioscoop zo stil. Ik verbaas me over de gretige nieuwsgierigheid die ik had om te willen zien hoe het was.

Sommige beelden en fragmenten zal ik niet licht vergeten. En als het op mij al zo'n indruk heeft gemaakt in een veilig bioscoopzaaltje, hoeveel meer vreselijk moet de werkelijkheid niet geweest zijn! Wat een waanzin! Die waanzin vond in mijn ogen in deze film een hoogtepunt in de scène waarin Frau Goebbels haar kinderen vermoord door het toedienen van een gif in hun slaap, een scène die symbolisch is voor de moord die de nazi-top op de eigen bevolking pleegde.

En toch. Als het lijden universeel menselijk is, als mensen oog in oog met de dood hun meest naakte moment hebben waarbij geen onderscheid meer is in geloof, politieke overtuiging, sexuele voorkeur of het biologische ras waartoe iemand behoort, is het dan verkeerd om toch, tóch medelijden te voelen met die Duitse moeder die na een bominslag naar haar zoontje rent en boven op het dode lichaam in huilen uitbarst?