"Pessimisten zijn doorgaans optimisten in disguise; negatieve optimisten die waarschuwen dat het volgende optimum slechter wordt. Ze zijn nodig, maar ik vind ze stierlijk vervelend." René Gude in Trouw vanochtend. Het doet me denken aan een gesprek met een vriend. We kwamen tot de conclusie dat cynici met een dosering ironie zeer prettige mensen zijn omdat ze uiteindelijk de ware optimisten zijn. Iemand is cynisch omdat hij een idee heeft van Het Ware en Het Schone, maar inziet dat de realiteit daar niet aan voldoet. De overtuiging dat het anders zou kunnen zijn maakt hun tot optimisten. Dit in tegenstelling tot pessimisten. Zij gaan ervan uit dat het nooit meer goed komt en verliezen hun humor. Ze lopen desalniettemin vaak de hele dag met een blijmoedige glimlach rond, want je moet er immers maar het beste van maken nietwaar?

Of we het bij het rechte eind hebben weet ik niet. Meer dan een cynicus vind ik mezelf een scepticus. Als er zoiets is als Het Ware, Het Schone en/of Het Goede dan is dat niet kenbaar. Desalniettemin ken ik wel de euforie van dat ene moment, dat ene moment – vaak heel kort – dat je even de vervoering geeft van iets waarvan we dan vaak zeggen dat het niet in woorden uit te drukken is, een mentaal orgasme. Het eigenaardige van die momenten is dat ze zich niet laten dwingen, ze zijn er ineens en zijn ook ineens voorbij. Je kunt proberen de voorwaarden te scheppen waarin zo'n moment kan optreden, maar dat is het dan. Maar of zo'n moment dan een glimp van iets goddelijks of een hogere waarheid is, dat kan ik niet zeggen. Wat rest is slechts herinnering.