Rije rije rije rije, hoor ik een jongetje in de wachtende trein zeggen. Het is nog geen tijd om te vertrekken, maar de reis duurt hem schijnbaar al te lang. De moeder fluistert, probeert haar zoontje wat rustiger te krijgen. Stomme trein, stomme treinchauffeur, hoor ik hem nog zeggen.

Vijftien jaar in coma ligt ze al. Vijftien jaar! Het lichaam zou nog slechts vegeteren. Als ik gesprekken met artsen lees, dan hebben ze het over processen in de hersenen. Alleen datgene wat het lichaam nog gaande houdt zou nog werken, zolang het maar gevoed wordt.

Wat is een mens meer dan zijn lichaam? Is er zoiets als een ziel, een geest? Of is datgene er niet meer wat dat lichaam tot Terri Schiavo maakt(e)? Er zijn mensen die niet meer in God geloven, maar de aanwezigheid van iets dat we 'ziel' zouden kunnen noemen als vanzelfsprekend achten. Is het lichaam van Schiavo een gevangenis waar de ziel niet uit kan ontsnappen zolang het lichaam niet dood is? Heeft een ziel hersenfuncties nodig? Of zou die ziel allang weg zijn?

Tijdgenoten van Aquino dachten dat mensen meerdere zielen hadden. Kenny: 'Zij meenden dat menselijke wezens niet één enkele vorm bezaten – de intellectuele ziel – maar ook een dierlijke en een vegetatieve ziel.' En daar lieten ze het niet bij, want er moest ook nog iets zijn wat het menselijke wezen tot lichaam maakte. 'Dit is een 'vorm van stoffelijkheid' die mensen gemeen zouden hebben met levenloze dingen, zoals zij een zintuiglijke ziel gemeen hebben met dieren en een vegetatieve met planten.' (71)

Aquino dacht dat de mens alleen een rationele ziel had, één van de twee gedachten waarvoor hij in Oxford in 1277 werd veroordeeld. 'Zouden er namelijk meerdere vormen zijn, zo betoogde hij, dan zou je niet kunnen zeggen dat het één en hetzelfde menselijke wezen is dat denkt, liefheeft, voelt, hoort, eet, drinkt, slaapt en een bepaalde lengte en een bepaald gewicht heeft. Sterft een menselijk wezen, dan treedt er een substantiële verandering op, en zoals bij elke substantiële verandering is er vóór en na de verandering niets anders gemeenschappelijk dan de materia prima.'

Ik heb het jongetje tijdens de treinreis niet meer gehoord. De meneer naast mij probeerde steeds zo onopvallend mogelijk mijn aantekeningen mee te lezen. Ik schrijf: 'de meneer naast mij probeert steeds mee te lezen.' Wanneer ik opkijk kijkt hij glimlachend een andere kant op.