Bosch en Duin 1986-1989 I (3)

Dagboek, Bosch en Duin, zondag 31 augustus 1986:

Vandaag definitief verhuisd. Ik ben het huis uit!! Wat de toekomst zal brengen weet ik niet. Morgen mijn eerste dag op de universiteit. Het wordt ongetwijfeld zeer spannend.

Trouwe lezers van mijn weblog weten dat ik ineens verhalen ga vertellen over een periode in mijn leven. Dat gebeurt tamelijk spontaan. Er komt van alles boven en ik begin te schrijven. Het is erg persoonlijk wat ik hier ga schrijven, maar omdat het zo ver weg is heb ik daar zelf geen moeite mee. Het voelt als een klein onderzoek naar een jongetje, dat jongetje dat ik ooit geweest ben. Ik verwonder me over dat jongetje. Wie was hij? Wat ging er toen in hem om? Gelukkig heb ik dagboeken uit die tijd. Het lezen in die dagboeken voelt alsof ik als een voyeur in mijn eigen dagboeken zit te lezen. Dat het toch echt mijn tekst is herken ik aan de beelden en gevoelens die boven komen, beelden en gevoelens die ik dacht kwijt te zijn. Zeker als het gaat om de eerste jaren op kamers in Bosch en Duin, die jaren zijn volkomen overschaduwd door de jaren erna. Zonder al te dramatisch te willen klinken kan ik zeggen dat de eerste jaren op kamers donkere jaren waren, zo donker dat ik begonnen was ze over te slaan. Alsof ze nooit bestaan hebben. Ik moet mezelf vaak voorhouden dat ik niet meteen op kamers in Zeist ben gaan wonen, daar zaten nog een paar jaar voor.

Nu noem ik die jaren donker, maar ik geloof dat ik ze toen niet zo beleefde. Een beeld vormen aan de hand van mijn dagboeken is gevaarlijk, want in een dagboek komen vaak de sterkste emoties terecht, de uitzonderingen. Het is een man van 37 jaar die bij het lezen denkt: 'Wat was je eigenlijk verschrikkelijk ongelukkig toen!' Ik zie mezelf in een spiegel 19 jaar jonger en ik schrik er soms van.

Wat was ik voor een jongen die op z'n achttiende uit Friesland vertrok om te gaan studeren in de grote stad Utrecht? Uit mijn dagboeken komt een uiterst onzeker en in zichzelf gekeerde jongen te voorschijn die worstelt met de wereld om zich heen en met zichzelf. In de zomer van 1986 had zich een flinke aardverschuiving in mijn hoofd voorgedaan en de naschokken waren lange tijd voelbaar.

Verrast was ik door een passage in mijn dagboek die ik enkele dagen voor de verhuizing schreef (25 augustus 1986): Doordat mijn gevoelens zo overheersen zal mijn studie uiteindelijk wel een mislukking worden. Misschien is 'mislukking' niet helemaal juist, maar ik heb zes jaar gestudeerd en de studie nooit afgemaakt. Het is eigenaardig om dan nu die woorden te lezen, geschreven nog voordat ik aan mijn studie moest beginnen! (Ik verbaas me steeds over de stijl van mijn zinnen uit die tijd. Ze zijn soms zo overdreven dramatisch, dat ik telkens bijna in de lach schiet.)

De eerste weken van mijn studie miste ik ontzettend veel mensen. Ik miste niet alleen mijn ouders, maar ook mijn vrienden (en één in het bijzonder), de middelbare school, de leerkrachten, kortom het hele leventje dat ik voordien leidde. Ik was de enige van mijn middelbare school die in Utrecht ging studeren, ik moest het helemaal zelf zien te organiseren. Ineens moest ik zelfstandig zijn: eten kopen en koken, financieën en administratie bijhouden enz. enz. Daarnaast moest ik de weg zien te vinden op de universiteit, nieuwe mensen leren kennen. Ik voelde me toen verschrikkelijk alleen. Op de eerste dag schrijf ik: De enige troost is, dat ik mijn eigen spulletjes hier heb waaraan je (sic!) gehecht bent. Mooi die verschrijving, het is alsof ik mezelf toespreek en daarbij probeer mezelf moed in te spreken. Het enige wat op dat moment dichtbij en vertrouwd was waren mijn eigen spullen in een vreemde kamer. Dat gaf troost, maar was ook erg definitief: terug naar mijn ouders kon niet meer zomaar. Vanaf nu ging ik 'op bezoek' bij mijn ouders.