Vorige week werd weer De Zevensprong op televisie uitgezonden. Ik had de verfilming niet gezien. Wel had ik het hele boek aan mijn zoon voorgelezen. Omdat we op vakantie waren had ik de serie uitzendingen op video opgenomen. We kijken elke avond één of meer afleveringen. Gisteravond trof me een mooi stukje:

'Nou, en wat zou dat?' zei mevrouw Bakker. Ze wendde zich af van de spiegel en keek Frans aan. 'Waarom mag de jongen niet twee personen zijn? Dat is toch heel gewoon! Ieder zinnig mens bestaat toch uit meer dan één persoon – jij, als schoolmeester, moet dat zeker weten!'

'Ja maar ...' zei Frans, enigszins overbluft.

'Als Rob er zin in heeft een paar verschillende levens te leiden, láát hem ...' vervolgde zijn hospita. 'Over een poosje zal hij wel leren al die knapen – brozems, vrijbuiters en jongens die naar school moeten – in één leven onder te brengen. Ben jij niet méér dan alleen Frans van der Steg? Ik zelf besta uit verscheidende mensen hoor – wel meer dan twee.'

'Mevrouw Bakker ... Tante Willemijn ...' zei Frans.

'Voor jou wil ik wel Tante Wilemijn zijn,' sprak zijn hospita. 'Kom, steek jij de lampen in de eetkamer even aan; dan zal ik thee zetten en de koek snijden.'

Mooi dat Ze wendde zich af van de spiegel ... en dan die opmerking Ieder zinnig mens bestaat toch uit meer dan één persoon. En mooi die afsluiting dan zal ik thee zetten en de koek snijden. Zo eenvoudig kan literatuur zijn. Het is een korte passage en zo voorbij, maar dit soort momenten maakt onderscheid tussen literatuur en lectuur. Bovendien lijkt deze passage zo onschuldig, maar dat is het niet. Hoelang hebben mensen niet gedacht dat hun persoonlijkheid uit één geheel bestaat? (Jeroen Bartels heeft daar mooie boeken over geschreven: De geschiedenis van het subject, uitgebracht bij Kok Agora / Klement).