Friedrich Nietzsche wilde er tien schrijven en schreef er maar vier: Oneigentijdse Beschouwingen. In het Duits vond ik ze al onleesbaar en in het Nederlands is het niet veel beter. Toch was het boeiend, al zijn de Beschouwingen door het gezwollen taalgebruik niet bepaald leesbaar.

Om het eerste deel David Strauss, belijder en schrijver kon ik nog wel lachen. In 1872 had Strauss het boek Der alte und der neue Glaube gepubliceerd en Nietzsche grijpt dit boek aan om de zelfgenoegzaamheid in de jonge staat Duitsland belachelijk te maken. Duitsland had net Frankrijk verslagen in een oorlog. Nietzsche ergert zich aan het gebrek aan elan in het intellectuele Duitsland en Strauss is hier het slachtoffer van. Nietzsche drijft de polemische toon zo ver door dat het soms lijkt alsof hij met een kanon een mug wil ombrengen. Nietzsche bewijst dat hij een prachtige scherpe pen heeft.

In het tweede deel Over nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven is de toon al wat milder. Hier wordt dan ook geen schrijver aan de kaak gesteld, maar een tijdsverschijnsel dat tegenwoordig het historisme wordt genoemd. Ook hier gaat het Nietzsche om het belachelijk maken van de futloze tijdgeest, ditmaal in het onderwijs. Wanneer het onderwijs de leerlingen volgiet met kennis over de geschiedenis, met historisch besef, dan gaat dat ten koste van de vitaliteit van de jeugd.

De eerste twee delen hebben nog de charme van een pamflet, in het derde deel Schopenhauer als opvoeder wordt de toon al bombastischer. Ondanks de titel gaat het boek niet over Schopenhauer, al laat Nietzsche geen ogenblik ongebruikt om de loftrompet af te steken over zijn grote voorbeeld. Filosofisch is Nietzsche al een andere weg ingeslagen en het is meer de heldere en directe stijl van Schopenhauer die Nietzsche wil vasthouden. De verheerlijking van het genie doet mij echter de wenkbrauwen fronsen. Genieën maken de geschiedenis en moeten koste wat kost groot gemaakt worden. Nietzsche draaft hier veel te ver door, hij wordt op een verkeerde manier lachwekkend.

Richard Wagner in Bayreuth, het laatste deel, heb ik geregeld mismoedig terzijde gelegd, er is niet doorheen te komen. Nietzsche bewonderde dit Orakel uit Bayreuth enorm, maar in de tijd dat hij deze Beschouwing schrijft, zijn er al vele barsten in de vriendschap gekomen. Later zou het tot een breuk komen. Toch schrijft hij een lofrede op de Grote Meester, maar zo overdreven dat de ironie er afdruipt. De glans en het venijn van de eerste Beschouwing heeft plaats gemaakt voor een plichtmatige toon. Nietzsche geloofde niet meer in wat hij schreef, het was een vriendendienst. Wagner was te dom om die ironie te begrijpen, hij liet zich maar al te graag bewieroken.

Was Nietzsche gestorven na het publiceren van deze Beschouwingen, hij zou slechts een voetnoot in de geschiedenis van de filosofie zijn geworden (en misschien zelfs dat niet). De waarde van deze Beschouwingen zitten vooral in de plek die ze innemen in de ontwikkeling van Nietzsche. Nietzsche is in deze Beschouwingen op zoek naar een eigen stem en een eigen stijl. Schopenhauer en Wagner waren voor hem grote voorbeelden en moesten als het ware 'overwonnen' worden. Dat is hem gelukt. De Oneigentijdse Beschouwingen gaan wezenlijk over Nietzsche zelf.

O ja. Naast al het gezucht en gesteun bij het lezen van Richard Wagner in Bayreuth heb ik éénmaal dubbel gelegen van het lachen. Onderaan bladzijde 330 las ik de zin: Zodra een enigszins ontvankelijke ziel zich voor hem opende stortte hij er zijn zaad in uit. Hoe verzint de vertaler het! In het Duits: Wo eine halbwegs empfängliche Seele sich ihm aufthat, warf er seinen Saamen hinein.