Bosch en Duin 1986-1989 I (7)

Vlak voor de derde reis naar Taizé ging ik een paar dagen naar mijn ouders in Friesland. De reizen naar Taizé werden altijd door mijn middelbare school georganiseerd en ditmaal ging ik dan mee als oud-leerling. Schijnbaar had ik aan P. het adres van mijn ouders gegeven, want daar ontving ik een grote envelop van hem. Ik meende dat ik deze envelop had bewaard in mijn zwarte doos, maar ik kan het niet meer vinden. Ik herinner me dat in de envelop een korte brief zat waarin hij de hoop uitsprak elkaar na mijn vakantie weer te zien en dat hij ter illustratie van zijn gevoelens een verhaal van Maarten Biesheuvel had bijgevoegd. Ik was blij met deze brief.

Taizé 1986 was een zeer gedenkwaardige week. Mijn eerste studiejaar was eveneens een emotionele tijd geweest. Ik was toe aan wat rust en dat hoopte ik in Taizé 1987 terug te vinden.

Ik kon mezelf aardig voorhouden dat het niet zo was, maar ik liep natuurlijk de hele week mijn demon te zoeken. Wel was ik zo verstandig geweest om mezelf op te zadelen met extra activiteiten. Als ervaren Taizé-ganger vond ik het tijd om eens animator te zijn. Als animator krijg je de verantwoordelijkheid om een gespreksgroep op gang te brengen, problemen te signaleren en op te lossen. Er zaten een aantal Ieren en Duitsers in mijn groep. Gelukkig waren de Duitsers bereid om Engels te praten. De Ieren wilden niet over hun geloof praten! Dan ben je in Taizé en praten over je geloof is taboe! De Duitsers wilden meteen een andere groep. Het probleem lostte zich op een gegeven moment vanzelf op. In overleg met anderen werden nieuwe groepjes gevormd en uiteindelijk lieten de Ieren zich niet meer zien. Bij de bijbelintroducties wierp ik me op om te vertalen voor een aantal Nederlanders en Belgen, omdat zij het Engels van de broeder niet konden volgen. Het gaf me zelfvertrouwen en dat hielp me de week door. Vrijdag maakte ik gebruik van de gelegenheid om me af te zonderen. Ik noteerde die middag in mijn dagboek:

Ik ben nu een middag en avond in stilte gegaan. Het wordt misschien wel moeilijk. Alleen de stilte kan de innerlijke stem, de "innerlijke muziek" laten horen. Alles heeft dat en iedereen kan het van iedereen horen. Wie in staat is deze innerlijke stem in anderen wakker te maken is met liefde beizg en zal geluk ervaren.

Het weer is iets rustiger geworden. De wind is gedraaid, zodat de buien niet over-, maar langskomen. Het is een prachtig gezicht, die zware zware wolken te zien met in de verte een illusoire opklaring. Is dit symbolisch voor de mensen hier in Taizé. Dit weer leek niet echt onverwachts te komen.

Het was natuurlijk symbolisch voor mezelf. Nog diezelfde avond zouden de zware buien hun lading los laten. Pas een aantal dagen later schrijf ik weer in mijn dagboek en noteer: 'Afgelopen vrijdagavond volledig ingestort, maar goed opgevangen (...).' Het moest er een keer van komen. Alle spanningen van het afgelopen jaar moesten eruit. De dagen erna irriteerde ik me aan iedereen en redde me met wat nerveuze humor. Ik voerde gesprekken over filosofie en mystiek en op een middag brak de zon weer door. Ik zat voor de tent wat te componeren hetgeen werd opgemerkt door A. Ze kwam op mij toerennen en vroeg me wat ik nu aan het doen was. Ik liet mijn gekrabbel op de notenbalken zien. Met belangstelling bekeek ze wat ik geschreven had. Ze ging ook muziek studeren, vertelde ze. Toen ging ze weer weg, we zouden contact onderhouden. Dat is niet gebeurd, maar op dat moment was ze even een geschenk uit de hemel.

Na Taizé heb ik nog een aantal dagen gezeild met mijn zus, zwager en neefje. Weer terug in Bosch en Duin begonnen de bezoeken aan P. Het werd een ritueel: de ene maandagavond ging ik naar hem toe, de andere kwam hij mij bezoeken. P. moest niets hebben van dat new-age-gedoe van mij. Hij gaf tegengas aan mijn vlucht in de metafysica, hij liet een ander geluid horen.

In augustus kon ik dan eindelijk de moed opbrengen om mijn demon te bezoeken. Sinds Taizé 1986 hadden we elkaar alleen maar geschreven en gebeld. Het was heerlijk om haar weer te zien. Ze woonde nog thuis, maar haar ouders waren op vakantie. Ik ben mijn hele leven nooit meer iemand tegengekomen met wie ik zo levendig en vanzelfsprekend kon praten. In die tijd heb ik het Groot Astrologisch Handboek van de Menselijke Relaties van Linda Goodman gekocht. In deze Rode Bijbel (zoals ik dit lijvige boekwerk toen ironisch noemde) staat: Als we een poging willen wagen hen allen te ontwarren, kunnen we ons beter eerst concentreren op wat de Weegschaal en de Boogschutter met elkaar gemeen hebben, zoals – praten. Zeker, praten, zeer beslist. (Utrecht 1985, Veen 3e dr. blz. 626) Wij waren het rondlopende bewijs voor deze stelling.

Ik bleef eten en na het eten luisterden we samen naar pianomuziek van Satie. Ik vertelde haar over de bijzondere harmonieën van Satie. Toen ik mijn enthousiaste betoog beëindigde keek ik haar aan en zag dat ze me lachend zat op te nemen. Waarom lach je zo naar me, vroeg ik haar. Ik heb nog nooit iemand zo enthousiast over muziek horen praten, zei ze. Het zijn van die momenten en beelden die je nooit vergeet.

In de trein naar Utrecht werd ik overvallen door gevoelens die ik nog nooit in die mate had gevoeld. Toen pas begreep ik wat verliefdheid inhield.