Tijdens mijn studie muziekwetenschappen heb ik geleerd dat je een muziekstuk kunt analyseren. Daar is niets geheimzinnigs aan, een ieder die noten kan lezen kan het leren. Leren hoe een muziekstuk opgebouwd is, hoe de stemvoering is, hoe de harmonieën uit elkaar volgen (of juist niet) enz. enz. Ik vond het zeer boeiend om te proberen in de keuken van de componist te kijken. Weliswaar bleef er bij hele goede componisten altijd iets over wat we dan 'het geheim van de smid' noemen, maar over het algemeen had je met muziekanalyse toch iets in handen waarmee je onderscheid kon maken tussen componisten met veel vakmanschap en componisten met weinig vakmanschap. Onnodig te zeggen dat dat dan niet veel zegt over het wel of niet mooi vinden van die muziek, dat is een andere kwestie.

Uiteindelijk heb je dan muziekpapier met allemaal lijnen, akkoordschema's, ideeën over hoe de harmonie de tekst uitbeeld enz. Dan is het vakwerk van de musicoloog muziektheoretisch gedaan. Heb je dan de muziek te pakken? Nee, natuurlijk niet. Daarvoor heb je iemand nodig die de muziek tot klinken, tot leven wekt. De musicus kan gebruik maken van de kennis van de musicoloog, hij kan het ook laten. Waar het om gaat is de magie die op het moment van uitvoeren ontstaat. Al het andere is slechts het scheppen van randvoorwaarden om die magie te laten ontstaan en dan nog weet je niet of het zal plaatsvinden. Muziekanalyse kan een musicus helpen om overzicht te krijgen, om de structuur helder te krijgen, wat belangrijke noten zijn en welke niet.

Ik moet altijd aan het bovenstaande denken als ik weer de discussies hoor en lees over de evolutietheorie, de schepping en al datgene wat er nog meer bijgehaald wordt. Wetenschap versus religie. Ik schrijf opzettelijk niet godsdienst, omdat ik dat woord eerder associeer met een geïnstitutionaliseerde vorm van religie. Het gaat me hier om een breder gevoel. Wetenschap kan observeren, meten, beschrijven enz., maar dat is niet het leven zelf, daarvoor heb je het leven zelf nodig en de levende wezens (de musici) die het leven tot het leven maken.

Marjoleine de Vos schreef onlang een mooi artikel in het NRC Handelsblad (bijlage Opinie & Debat 22 mei 2005 blz. 17). Zij maakte zich in dat artikel zorgen over het negatieve beeld rond religie. Als je religie verwerpt verwerp je ook de poëzie van religie, de verhalen, de beelden en dat vond zij erg jammer. Niet dat De Vos vond dat je dus in God moest geloven, maar ze wilde niet het kind met het badwater weggooien. Haar visie is niet nieuw, de socioloog Max Weber wees al op de onttovering van de wereld

En nu stuit ik zelfs met het debat over de Europese Grondwet op iets dergelijks. Ik word bijkans gebombardeerd op allemaal a-r-g-u-m-e-n-t-en, argumenten die onomstotelijk heten te zijn en dus het laatste woord zouden moeten hebben. Men wordt boos als ik daar geen boodschap aan heb, ik zet mijzelf daarmee duidelijk buiten spel. Zelfs de politiek onttovert. Dan mis ik weer die bevlogenheid, het enthousiasme en stuit ik op een cynische muur. Ik proef angst, angst voor verlies aan zogenaamde vrijheid en welvaart. Maar dat mag ik niet schrijven, want dat is geen argument. Schijnbaar moet wat ik zeg ergens 'kloppen'. Maar ik, ik die altijd tekeer is gegaan tegen alles wat zich liberaal noemt, wat riekt naar kapitalisme ... ik heb voor één keer het vertrouwen dat het wel goed komt. Laat mij nou!

Het is fris buiten, vindt u ook niet?