Het gaat de laatste tijd niet zo goed tussen mij en mijn schaakhobby. Ik ga nog graag naar de clubavond, maar verder kan het schaken me zo nu en dan volkomen gestolen worden. Onlangs kwamen de formulieren weer, formulieren waarop ik in kan vullen met welke competities en andere activiteiten ik het komende seizoen mee wil doen. Ik heb nergens zin in, behalve dan een seizoen alleen maar interne competitie. Gewoon elke week op mijn clubavond een partijtje schaken en verder niets. Geen bekercompetitie, geen rapid- of snelschaakgedoe, geen externe competitie (tegen andere clubs), alleen maar op die dinsdagavond wat met houten poppetjes schuiven en daarbij een intelligent gezicht trekken. Na dit seizoen stop ik ook met de website die ik voor mijn club onderhoud. Gelukkig heb ik iemand bereid gevonden om dat over te nemen. De opmaak van het clubblad wil ik nog wel een jaar volhouden, maar dan is dat ook wel genoeg geweest.

Ooit ben ik door iemand gewaarschuwd voor dit effect. Jaren geleden interviewde ik clubleden voor het clubblad. Deze meneer op leeftijd zat ook op een andere schaakclub en daar heeft hij veel voor de club gedaan. Hij heeft daar een jeugdafdeling opgezet die ontzettend goed is (mijn zoon gaat er ook naar toe). Hij vertelde dat hij door al die activiteiten en betrokkenheid het schaken wel eens helemaal zat was. Ik kon me dat toen niet voorstellen, maar ik begrijp nu maar al te goed waar hij op doelde. Het gevaar is dan groot dat je helemaal wil stoppen met je hobby. Dat zou toch jammer zijn.

Resultaten blijven ook uit. Het vorige seizoen was ronduit slecht, het huidige seizoen is ook maar matig. Vechtlust heb ik nog wel. Gisteravond kwam ik snel door eigen onachtzaamheid in de problemen en ik heb ruim drieënhalf uur geknokt om niet ten onder te gaan. Het leek te lukken, mijn tegenstander begon uit frustratie ook foutjes te maken. Weliswaar zou ik door de vlag gaan en de partij verliezen, maar mentaal zou ik het een overwinning gevonden hebben om dat in een remisestelling te doen. Dat was zo goed als gelukt, maar met nog 20 seconden op de klok blunderde ik alsnog. Ik heb voor het eerst zelfs gedroomd over een schaakpartij.

Schaken zal voor mij nooit een sport worden maar altijd een spel blijven. Momenteel is het goed om wat afstand te nemen om de liefde niet geheel kwijt te raken. Activiteiten rond het schaken en de club die op zich niets met het schaken te maken hebben stoot ik langzaam maar zeker af. Ik durf te wedden dat de goede resultaten dan ook vanzelf weer terugkomen. Toch zal de noodzaak tot het spelen van schaak nooit zo groot worden voor mij zoals Hans Ree dat schrijft in zijn nieuwste column in New In Chess: My favourite writer Vladimir Nabokov escaped from Russia in 1919 on a ship that sailed from the harbour of Sebastopol. While enemy machine guns fired from the shore, Vladimir and his father Dimitri sat on deck, playing chess. They would never see their country again. I haven't been in such dire circumstances, but I think this is exactly what I would do, take a board and pieces and submerge myself in them. (New In Chess 2005/4 blz. 95)