'(...) Het kan zijn...' zegt hij zakelijk, 'het kan zijn dat de levenswijze die we kennen, waarin we geboren zijn, dit huis, deze maaltijd, ja zelfs de woorden waarmee we de vraag van ons leven vanavond bespreken, reeds verleden tijd zijn. Er is te veel spanning in de harten van de mensen, te veel woede, te veel wraaklust. Als we in ons hart kijken, wat vinden we dan? Driften die door de uitwaseming van de tijd wat valer geworden zijn, maar waarvan de gloed niet geblust is. Waarom zouden we iets anders moeten verwachten van de wereld, van de mensen? En wij tweeën, die aan het eind van ons leven oud en wijs zijn, ook wij willen wraak... Wraak, op wie? Op elkaar of op de herinnering aan iemand die er niet is. Onzinnige driften. En toch leven ze in ons hart. Waarom verwachten we dan wat anders van de wereld, die vol is van onbewustheid en begeerte, driften en agressie; jonge mannen hakken met hun bajonet punten aan de vingers van jonge mannen van andere naties, vreemde mensen snijden riemen uit elkaars rug; alles wat ooit regel en conventie is geweest, heeft zijn geldigheid verloren, alleen de woede leeft en brandt met vlammen die tot de hemel reiken... Ja, wraak. (...)'

Sándor Márai Gloed, 132-133