[vervolg van 441] Welke boeken hebben een speciale betekenis voor je?

Over deze vraag heb ik ondertussen veel nagedacht. Eigenlijk kwam er maar één spontaan boven drijven: Tao van Poeh van Benjamin Hoff. Lange tijd gold dit boek als een soort Bijbel voor mij. Ik had het altijd in mijn tas zitten, ik wilde het altijd binnen handbereik hebben. Sommige passages zitten verankerd in mijn hoofd.

Andere boeken die in mij opkwamen hebben een historische speciale betekenis voor mij. Vaak is het lang geleden dat ze speciaal voor me waren, vaak door het effect van de eerste keer. Bijvoorbeeld De laatste deur van Jeroen Brouwers. Bij het lezen van dat boek heb ik voor het eerst ervaren dat ook een schrijftstijl bijzonder en mooi kan zijn.

Dan zijn er boeken waarin ik helemaal kon opgaan, waarbij ik me helemaal identificeerde met de hoofdpersonen: De huid van chagrijn van Honoré de Balzac, Aan de vooravond van Ivan Toergenjev, Doktor Faustus van Thomas Mann – om er maar een paar te noemen. Toch zijn deze boeken verbonden met een bepaalde tijd in mijn leven en is het maar de vraag of ze nog steeds dit effect op mij zouden hebben.

Nee, de Tao van Poeh is momenteel nog het enige boek waarvan ik kan zeggen dat het echt een speciale betekenis voor mij heeft. Het heeft indertijd een aardschok in mijn denken teweeg gebracht waardoor vele intellectuele bouwwerken zijn ingestort en ongekende horizons tevoorschijn gekomen zijn. Soms kijk ik nog nostalgisch naar de ruïnes die het heeft achtergelaten, maar meer nog geniet ik van de ruimte die het mij gegeven heeft.