Ik heb geen talent voor het lezen van poëzie, toch blijf ik het proberen. Vraag me niet iets verstandigs over een gedicht te zeggen, ik sta met mijn mond vol tanden. Ik kan me verbazen over de vaardigheid waarmee anderen iets uit een gedicht halen. Zo lees ik altijd de columns van Guus Middag in het NRC, zijn associatieve lezen vind ik prachtig. Een tijd geleden las ik Mooi, maar dat is het woord niet van Rutger Kopland in de hoop wellicht enig gevoel te krijgen voor poëzie. Het wil niet vlotten. Toch kan ik het niet laten om poëzie te blijven lezen. Het doet me dan ook veel genoegen dat er webloggers zijn die zo nu en dan een gedicht op hun weblog zetten.

Misschien dat mijn volharding vruchten begint af te werpen, want ondertussen krijg ik toch voorkeuren. Miriam Van hee raakte mij meteen, net als K. Michel. Onlangs moest ik toch echt de nieuwe bundel van Esther Jansma lezen en het stelde me niet teleur, het is ontzettend mooi. Maar wat is het dat ik zo mooi vind? Hoe leg ik dat uit?

Door het stokje hieronder realiseerde ik me dat ik gedichtenbundels nooit opneem in mijn aantekeningenboekje met uitgelezen boeken. Want wanneer heb ik een gedichtenbundel uit? Ik kan het van a tot z lezen, maar heb ik het dan uit? (Ben ik ooit echt klaar met een roman, dát kan ik me natuurlijk met evenveel recht afvragen). Dat vind ik aantrekkelijk aan poëzie: ik kan het uit de kast pakken, zomaar wat bladeren en lezen of een favoriet gedicht opzoeken. Een gedichtenbundel lijkt geen begin of einde te hebben, het gaat altijd maar door.

Toch zou ik wel eens wat leeshulp kunnen gebruiken. Wie weet een boek die mij zou kunnen helpen?