Het moet meer dan twintig jaar geleden zijn, want ik studeerde nog niet. Ik kan me de naam van die muziekcursus op televisie ook niet meer herinneren, maar ik herinner me nog wel dat het gepresenteerd werd door de emphatische wanfluiter James Galway. Je kon boeken en lp's bestellen bij die cursus en soms kom ik die boeken en lp's nog wel eens tegen bij mensen thuis.

Vaag herinner ik me ook dat ik me puberaal afzette tegen die muziekcursus. Heimelijk zat ik vol belangstelling te kijken, maar openlijk kraakte ik het zoveel mogelijk af. Vooral natuurlijk wanneer de lievelingsmuziek van mijn vader voorbij kwam. Lange tijd is mijn muzikale smaak gevormd door het tergen van mijn vader. Hield hij van Italiaanse Opera en De Gouden Strotten van Joan Sutherland en Luciano Pavarotti, dan hield ik van de Duitse Opera en Wagner in het bijzonder. Hield mijn vader van Chopin, dan zweerde ik bij de late pianowerken van Liszt. Ik moet een ramp voor mijn vader geweest zijn. Ondertussen kunnen we het overigens goed vinden en speel ik desnoods zelf Chopin op de piano om hem te plezieren.

In de laatste aflevering van die muziekcursus werd aandacht besteed aan iets geheel nieuws. Althans zo deed meneer Galway het voorkomen. Ondertussen weet ik dat het in die tijd helemaal niet zo nieuw was, maar wellicht wel voor het toenmalige, grote publiek. Kortom: de historische uitvoeringspraktijk.

Aan het einde van de achttiende eeuw en in het begin van de negentiende eeuw was de muziekesthetiek in relatief korte tijd ontzettend veranderd. In die tijd werden bijna alle instrumenten ingrijpend aangepast en werden ze anders bespeeld. Er kwamen ook nieuwe instrumenten in zwang (zoals de klarinet en de piano) en andere instrumenten 'verdwenen' (de blokfluit en het klavecemibel). Orkesten werden groter, er kwamen steeds meer koncertzalen, componisten werden zelfstandig ondernemer enz. enz.

In de loop van de negentiende eeuw groeide het historisch bewustzijn. Zo herontdekte men bijvoorbeeld de muziek van Johann Sebastiaan Bach, die sinds zijn dood in 1750 niet meer werd uitgevoerd en slechts nog bekend was bij een klein groepje kenners. Het probleem was echter, dat men de muziek uit vroeger tijden in de veranderde omstandigheden ging uitvoeren. Soms begreep men die oude muziek niet meer goed. Toen Mendelssohn de Mattheus Passion opnieuw wilde uitvoeren, meende hij de grote meester hier en daar toch te moeten verbeteren. Er werden instrumenten toegevoegd en er werden een paar ingrepen gedaan in de partituur. Oude muziek werd uitgevoerd met moderne middelen. Wie wil weten waar dat toe geleid heeft, moet voor de aardigheid eens de opname beluisteren van de Mattheus Passion gemaakt door de dirigent Willem Mengelberg in het Concertgebouw in 1939. Het is een zeer muzikale uitvoering, maar afschuwelijk theatraal en langzaam, vreselijk langzaam. Mij werkt het soms op de lachspieren, vooral de inzet van het orgel na de generale pauze in Sind Blitze, sind Donner in Wolken verschwunden.

In de jaren '50 en '60 van de vorige eeuw waren er steeds meer musici en musicologen die wilden herontdekken wat er allemaal verloren was gegaan door de negentiende eeuwse uitvoeringspraktijk. Zij haalden oude instrumenten uit de musea en probeerden ze te bespelen, ze gingen oude instructieboeken lezen en probeerden de aanbevelingen daaruit toe te passen. Het was alsof er een enorme berg stof van de muziek werd afgehaald. Langzaam maar zeker begon die nieuwe methode door te dringen in de koncertzalen en werden er opnames gemaakt op de langspeelplaat. Historisch was een nieuwe uitvoering van de Orfeo van Monteverdi onder leiding van Nikolaus Harnoncourt, de opname van de Kunst der Fuge door Gustav Leonhardt op klavecimbel en de opname van de Mattheus Passion in 1972 door opnieuw Nikolaus Harnoncourt.

Natuurlijk was er veel kritiek: de musici beheersten de instrumenten nog niet voldoende, ze speelden vals en ongelijk, de jongetjes in de Mattheus zouden te jong zijn om te begrijpen wat ze zongen, Harnoncourt maakte een klompendans van het openingskoor in de Mattheus enz. enz. Men kan het met recht een muzikale revolutie noemen. Deels was de kritiek ook wel terecht, vooral als het ging om het deromantiseren van de muziek. Zo vond Leonhardt in die tijd dat hij zichzelf helemaal moest wegcijferen als uitvoerend musicus. Zijn taak was om de muziek technisch zo perfect mogelijk te spelen, zijn gevoelens mochten dat niet weg staan. Het ging om de muzikale structuur en als de musicus dat goed genoeg liet horen kwam de emotie vanzelf. Het was een overreactie op de romantische uitvoeringspraktijk. Het teveel aan emotie werd gecompenseerd door een te weinig aan emotie.

De historische uitvoeringspraktijk won terrein. De musici gingen hun instrumenten steeds meer beheersen. Nederland begon voorop te lopen op dit gebied, vooral het Conservatorium in Utrecht kreeg een naam. De Organisatie Oude Muziek werd opgericht en organiseerde in 1982 het eerste Festival Oude Muziek, hetgeen lange tijd toonaangevend op de wereld was voor deze nieuwlichterij.

Ik zat nog op de middelbare school in 1982. Of ik iets meegekregen heb van het eerste Festival Oude Muziek, dat weet ik niet meer. Wel herinner ik me een avond waarop ik luisterde naar een uitvoering van de Hohe Messe van Bach op de radio. Ik begreep er niets van en zette de radio na een kwartier teleurgesteld uit. De historische uitvoeringspraktijk ging nog aan mij voorbij. Ik luisterde naar de symfonieën van Beethoven door de Berliner Philharmoniker onder leiding van Herbert von Karajan. (Het orkest overigens waar Galway een tijdje eerste fluitist is geweest.) Bach en Händel was mooie en interessante muziek, maar de andere componisten van voor 1750 vond ik in die tijd nauwelijks de moeite waard.

Toen ik die aflevering van James Galway zag, was ik tamelijk naïef als het ging om oude muziek en historische uitvoeringspraktijk. Ze lieten opera's zien met historische decors en er werd gezongen door mannelijke alten, zogenaamde countertenors. Vreselijk vond ik dat en zelfs de afschuw van mijn vader kon mij niet van mening doen veranderen. Ik ging er maar vanuit dat het iets marginaals was en dat het wel over zou gaan. Mijn oren zaten duidelijk nog verstopt met romantische opvattingen.

Hier moest ik allemaal aan terugdenken toen ik vanochtend de eerste maten van Atys van Jean-Baptiste Lully beluisterde. Meteen krijg ik rillingen wanneer ik die muziek hoor. Het is zo waanzinnig mooi!

Tegenwoordig is de historische uitvoeringspraktijk een volwaardige manier van uitvoeren, het staat niet meer ter discussie. Ik denk zelfs dat veel luisteraars niet eens meer beseffen wat voor een veranderingen de uitvoeringen van oude muziek heeft doorgemaakt de laatste veertig tot vijftig jaar. Het heeft ook de uitvoeringen van muziek uit de negentiende en twintigste eeuw diep beïnvloed. Het romantische dekbed is van de orkesten afgetrokken en tegenwoordig is helderheid en doorzichtigheid één van de heersende normen. Nu is het bijna zo dat een pianist zich moet verantwoorden als hij Bach op een Steinway wil uitvoeren. Nikolaus Harnoncourt, één van de grote pioniers van de historische uitvoeringspraktijk, heeft de symfonieën van Bruckner opgenomen en dat is tegenwoordig volstrekt normaal.

Maar wat belangrijker is: door deze hele ontwikkeling is er weer honderden jaren van muziek bijgekomen die weer meetelt. Muziek die eeuwenlang lag te verstoffen in archieven wordt weer uitgevoerd. Waaronder dus de opera Atys. En als u het me niet kwalijk neemt, ga ik nu weer verder luisteren.