Op 16 november schreef Woordenaar een stukje over Literatuur, een speciale uitgave van De Groene Amsterdammer. Ik las het met belangstelling, want ik had er zelf een exemplaar van gekocht en ik ken Woordenaar als iemand die een liefhebber is van lezen en literatuur. Maar mijn verbazing was groot. Na enkele punten van kritiek raadt hij zijn lezers aan het blad vooral niet te kopen: hij vindt het te elitair, geschikt voor welgestelde 50+ dames.

Ik was stomverbaasd. Ik ken De Groene Amsterdammer als een kwalitatief goed blad en het blad had wel vaker uitstekende bijlagen gemaakt. Ik ging er op dat moment nog van uit, dat het een eenmalige bijlage zou zijn. Nu weet ik, dat het de bedoeling is om eens in de drie maanden te verschijnen. Bovendien blijkt het de opvolger te zijn van het tijdschrift Literatuur, dat enige tijd geleden gestopt is met verschijnen. Nogal een risico voor De Groene om nog regelmatig zo'n bijlage te willen gaan uitgeven. De Groene heeft altijd zijn onafhankelijkheid willen bewaren en is mede daardoor altijd een low-budget tijdschrift gebleven: het wil niet afhankelijk zijn van commercie.

Maar wat verwijt Woordenaar de uitgave Literatuur nu eigenlijk?

Ten eerste dat er in het redactioneel nogal smalend wordt gedaan over de diverse literatuurbijlagen van kranten en weekbladen en boekenglossy's zelfs. Smalend? Het is maar hoe je het wilt lezen, want wat staat er nu eigenlijk? Er staat: Er zijn natuurlijk – slinkende – boekenbijlagen, met vooral veel non-fictie, literaire tijdschriften met nieuwe literatuur, cultuurpagina's over pas verschenen bestsellers, boekenglossy's zelfs, maar wat steeds ontbreekt, is een blad waarin de literatuur wordt opgevat als één geheel. Ik kan dat niet smalend vinden, ik lees hier naar een doelstelling toe. De redactie ziet een gat in het aanbod en wil dat op geheel eigen wijze aanvullen. Wat is daar nu mis mee?

Ten tweede vindt Woordenaar het blad een typografische ramp. Hij vindt dat het blad bestaat uit grote lappen tekst, met weinig witregels. Voorwaar een ernstig verwijt voor een literair tijdschrift! Het klopt: niet tussen elke alinea staat een witregel (gezien de weblog van Woordenaar heeft dat schijnbaar zijn voorkeur) – nee inderdaad –, maar waar geen witregel staat wordt netjes ingesprongen. Dat titels en koptekst nauwelijks groter zijn dan de lopende tekst is wel enigszins waar, maar om daar nu zo zwaar aan te tillen. En dan smaalt Woordenaar dat ze ouderwetse «aanhalingstekens» gebruiken: Franse aanhalingstekens zijn zó 1960!! Mijn hemel, wie is hier nu eigenlijk pretentieus!

Dan stoort Woordenaar zich eraan dat er foto's en citaten in het blad staan die niet bij de tekst passen. Daarin heeft hij gelijk en ook van mij zouden de foto's en citaten niet hoeven. Maar de redactie van Literatuur heeft het in zijn hoofd gehaald om juist literatuur naast elkaar te zetten die ogenschijnlijk niet veel met elkaar gemeen hebben. Ik vind dat op deze wijze wat geforceerd, maar niet onoverkomenlijk.

Tenslotte vindt Woordenaar dat Literatuur er niet in slaagt om de rijkdom van de Nederlandse literatuur te tonen zoals de redactie zich dat had voorgenomen. Ik kan hierin een eind meegaan, maar van armoede kan ik nu ook niet spreken. Bovendien zijn het redactionele voornemens die zich niet beperken tot één nummer, maar ook voor de komende nummers gelden. Geef ze een kans zou ik dan zeggen, misschien kun je na een aantal jaargangen wel degelijk spreken van rijkdom. Maar nee, vindt Woordenaar, u moet uw twee euro vooral niet uitgeven (twee euro maar!) aan dit blaadje, want uit Literatuur stijgt de geur op van zuurpruimen, van drie maal daags in een citroen happen. Woordenaar heeft gesproken. Grote lappen tekst met weinig witregels en dan ook nog Franse aanhalingstekens uit 1960: koop het niet mensen, doe het vooral niet, want het kost wel twee euro! Wie is hier een zuurpuim? Waar mag ik driemaal daags citroen happen?

Ik heb het blad Literatuur met veel plezier gelezen. Wellicht is het te weinig voor letterkundigen en te veel voor het grote publiek, maar voor een liefhebber van literatuur die wel eens wat meer wil lezen dan een recensie, zou het een aanwinst kunnen zijn. Voor diegenen die niet alleen maar geïnteresseerd zijn in de grote stapels nieuwe boeken op de tafels in de boekhandel, maar ook geïnteresserd zijn in die literatuur die al geschiedenis is of verzonken in de tijd, voor die liefhebbers zou het aanwinst kunnen zijn.

Laat het elitair zijn. Laat het voor een beperkt publiek zijn. Waarom mag er geen zelfbewust blad gemaakt worden zonder groot commercieel oogmerk? Waarom mag iemand nou eens niet z'n kop boven het maaiveld uitsteken? Waarom moet alles teruggebracht worden tot het middelmatige, de doorsnee, het veilige voorzichtige, het commerciële? Wat we juist nodig hebben zijn mensen die nu eens wél elitair durven zijn, die hun kop durven uitsteken, die snobistisch zijn van mijn part. Zij durven hoog in te zetten en het risico te nemen eventueel op hun bek te gaan. Hoe zouden we anders aan schrijvers als bijvoorbeeld Multatuli, Ter Braak, Hermans en ook Jeroen Brouwers moeten komen?

Dat is uiteindelijk wat mij giftig en woedend maakt in het stukje van Woordenaar en de reacties daarop: het dédain voor mensen die nu eens niet de gemakkelijke populistische kant opgaan. Ik wil (literatuur)critici met een visie, die literatuur kunnen plaatsen in de tijd of in het oeuvre van de schrijver, die een gefundeerde kritiek kunnen leveren of een polemiek of een schotschrift van mijn part. Ik wil artikelen die verder gaan dan een reclamepraatje of het overschrijven van de achterflap. Daarvoor zijn al veredelde reclameblaadjes genoeg. Die zijn zinvol voor de mensen die een snelle keuze willen maken als ze in de boekhandel staan, maar ik wil meer. Literatuur zou dat kunnen zijn.