Ik vind het moeilijk om me voor te stellen dat ik er op een dag niet meer ben. Ergo: dat het verdwijnen 'ineens' kan gebeuren. Zomaar. Door een onoplettendheid van mezelf of een ander in het verkeer. Of omdat bijvoorbeeld op een dag mijn hart het vertikt om verder te pompen. Ik ben nog nooit mijn geest of ziel tegengekomen, dus lijkt het mij het meest voor de hand liggen dat datgene dat 'ik' zegt of denkt een resultaat is van fysieke processen die door middel van de 'illusie' eenheid in mijn lichaam wil creëren. En die schijnbare eenheid zegt of denkt 'ik'. Zoiets. Maar ook dat weet ik niet zeker. Want als mijn 'ik' een illusie is, dan zijn misschien mijn gedachten en gevoelens ook niet betrouwbaar.

Want daar zal ik het mee moeten doen: met wat zich aandient, met 'wat het geval' is. Er zijn herinneringen, verwachtingen en vermoedens. En er is een taal, waarin zich dit alles lijkt uit te drukken. Waarom, waartoe, geen idee.

Heb ik mijn 'ik' wel in de hand? Heb ik mijn lichaam wel in de hand? Mjin lichaam doet voortdurend dingen waar ik nooit om gevraagd heb. Het pompt bloed rond, er vinden chemische processen plaats, zomaar uit zichzelf. Als het lichaam nalaat om bloed rond te pompen of allerlei functies uit te voeren, dan heb ik daar niet of nauwelijks invloed op. Ik weet zelfs niet of ik 'ik' wel in de hand heb. Het lijkt zo, maar zeker weten doe ik het niet. Ik moet het ermaar mee doen.

Maar als je niets met zekerheid kunt weten (en wat is dat 'niets' dan?), kun je dan nog wel ergens van uitgaan? Als er geen zingeving meer is, als er geen Grote Verhalen meer zijn met autoriteit en gezag, wie kan dan zeggen wat goed en kwaad is? Wie kan dan zeggen wat hoort, wat normaal is? Wat heeft onze rechtsstaat dan nog voor autoriteit, waar zijn de mensenrechten op gebaseerd? Waarom normen en waarden? Kunnen we dan nog oordelen? Is iemand nog verantwoordelijk voor zijn gedrag? We kunnen van alles met elkaar afspreken, wetten maken, rechten en plichten formuleren, maar wat als iemand zich daar niet aan wenst te houden?

Soms lijkt het er wel op dat al die 'ikken' een 'wij' vormen, als het ware een (maatschappelijk) lichaam vormen. Dat 'wij' zou dan gevormd zijn als illusie van eenheid van al die 'ikken'. Het pompt het maatschappelijk verkeer rond en als er 'ikken' zijn die het functioneren van het lichaam lijken te verstoren, dan treed ons afweermechanisme in werking. Maar wat als dat afweermechanisme niet meer werkt? Wat als die 'ikken' niet meer in staat zijn om een 'wij' te vormen, is dan dat maatschappelijke lichaam niet ten dode opgeschreven? Herkent ons afweermechanisme nog wel datgene wat verstoort? Kan datgene wat afwijkt ook niet een vorm van gezondheid zijn? Wordt onze afweer niet juist sterker door vreemde invloeden op te nemen? Is het wel verstandig om de maatschappij met een lichaam te vergelijken of is ons lichaam ons enige referentiepunt?

Ik zou nog eindeloos kunnen doorgaan met dit soort gedachtenexperimenten, het maken van beelden en het leggen van verbanden. Of ze waar zijn, weet ik niet, maar het is het enige wat ik heb. Denk ik. Ik kan ook proberen het denken te ondermijnen, uit te wissen, op te laten lossen en dan met frisse blik naar de wereld om me heen te kijken. Zou het wat uitmaken? Komt het uiteindelijk niet op hetzelfde neer?

Kafka heeft het begrepen. Soms voelt het leven alsof je 's ochtends van je bed gelicht wordt en je weet niet waarom. Jemand mußte Josef K. verleumdet haben, denn ohne daß er etwas Böses getan hätte, wurde er eines Morgens verhaftet. Op een dag eindigt je leven en je weet nog steeds niet waarom. Misschien is er geen waarom, maar waarom is er dan geen waarom? Ik kan mijn leven eindeloos vullen met naar het waarom te vragen. Ik heb er zelfs plezier in.