Onder 490 schreef ik over de eerste externe competitiewedstrijd van S. voor zijn schaakclub. Toen verloor hij van een betere speler. Gisteravond speelde het viertal thuis. Het was weer een prachtig gezicht en ditmaal had S. geen moeite met zijn tegenstander.

De partij was nauwelijks bezig toen de voorzitter al kwam buurten. Ik liep wat te ijsberen – ik geloof dat ik het allemaal nog spannender vind dan S. – en er werd me toegefluisterd: zo, de kleine L. vliegt zijn tegenstander meteen naar de strot. Snel even kijken en inderdaad: S. was al bezig voor de neus van de vijandelijke koning de verdediging te slopen. De aanval sloeg niet door en hij moest zelfs oppassen voor de counter. Ik weet niet wat S. allemaal gezien heeft, maar ik zie waarschijnlijk nog zoveel meer. Voortdurend loop ik dan rond met de hoop dat hij het allemaal wel ziet. Op een gegeven moment kon hij de dame winnen en dan ben ik bijna opgelucht als hij de juiste zet doet. De rest zou makkelijk moeten zijn, maar dat weet je nooit bij die kleintjes. S. joeg de vijandelijke koning het hele bord over, liet 'm wat spartelen en zette uiteindelijk de koning per ongeluk mat. Per ongeluk, want het duurde even voordat de spelertjes het zagen.

Ik was een opgeluchte vader. Toen S. naar mij toe kwam vroeg ik hem: 'dat voelt wel lekker hè, om te winnen'. Zijn nuchtere antwoord was: 'ja hoor, best'.

Hoe lang zal het nog duren voordat hij gehakt gaat maken van zijn vader op het schaakbord. Toen ik acht jaar was kende ik de schaakregels nog niet eens. Ik heb mijn hele jeugd geschaakt, maar tijdens mijn studie niet. Toen ik zo'n twaalf jaar geleden lid werd van een schaakclub had ik geen bijster hoog niveau. Het is wel wat beter geworden, maar nu zit ik toch wel aan het plafond, denk ik. Echt groeien zal ik niet meer, wat rest is het vermaak dat het spelletje mij nog geeft. Wanneer ik in januari weer mee ga doen met het Corus Toernooi heb ik een half jaar geen competitie gespeeld. Ik ben benieuwd hoe dat gaat aflopen.