Het was een vertrouwde en vreemde ervaring om weer achter het schaakbord te zitten. Er waren gisteravond invallers nodig voor het tweede team van mijn schaakclub. Nadat ik S. na zijn schaaklessen snel thuis gebracht had, sprong ik weer op de fiets om zelf weer competitie te gaan spelen. Toen ik de speelzaal binnenkwam waren net de klokken aan gezet. Even handjes schudden, de gegevens op het notatieformulier schrijven en dan de eerste zet. Vreemd en vertrouwd. Hoe moest het ook alweer, dacht ik nog in een flits.

Voor de eerste zetten nam ik veel tijd. Het kostte me moeite om rust en concentratie te vinden. Soms zet ik dan mijn bril af en sluit ik mijn ogen even. De adem naar de buik brengen en concentreren. Schaken is geen mediteren, maar ik denk dat sommige schakers onbedoeld toch een vorm van meditatie vinden. Het ontspannen ging gisteravond bijna te goed. Op een gegeven moment merkte ik dat mijn ogen zwaar werden en dicht vielen. Ik begon te knikkebollen. Om te voorkomen dat ik echt in slaap zou vallen, ging ik maar wat ijsberen als ik niet aan zet was. Even het bloed wat sneller laten lopen. Ik ben sowieso een schaker die weinig aan het bord zit. Ik loop veel rond en maak hier en daar een praatje met andere rondlopende schakers. Meestal komt deze afleiding mijn partij niet ten goede, maar gisteravond maakte ik me er niet echt zorgen over.

Wat me ook fascineert bij het schaken is de lichaamstaal van schakers. Soms is de spanning aan de spelers af te lezen. Zij turen naar de stelling en proberen te ontdekken wat voor mogelijkheden er allemaal in zitten. De dynamiek van het spel zit in de hoofden van de spelers. Wie een goede verstaander is van lichaamstaal kan zien dat er toch veel spanning en emotie is tijdens het schaken. Zeker bij jonge schakers die nog een zekere mate van fanatisme ten toon spreiden. Zij zijn nog ambitieus en willen hoger en beter.

Na een zet of twaalf was er een stelling op het bord gekomen die mooi in evenwicht leek. Leek, want wie naar de mogelijkheden ging kijken zou op het eerste gezicht meer zien voor zwart dan voor wit. Dat was een probleem voor mij als witspeler. Ik ging de voor de hand liggende zetten na, maar het nadeel van die zetten was, dat ze het initiatief aan de tegenstander gaf en mezelf in een verdedigende rol bracht. Mijn tegenstander zag het ook. Hij werd onrustig aan het bord en begon steeds vaker op te staan en rond te lopen. Daarbij maakte hij zich lang, borst vooruit, tekens dat hij tevreden was over zijn bereikte positie. Ik probeerde stoïcijns te blijven en ging ondertussen de minder voor de hand liggende zetten na. Eén zet beviel me zeer, een zet die gebruikt maakt van de dynamiek van de stelling. Weliswaar gaf ik een belangrijke pion in het centrum met die zet zomaar weg, maar ik kreeg er aanval en initiatief voor terug. De zet voelde goed en na ongeveer vijfentwintig minuten denken en kijken ging ik ervoor.

Mijn tegenstander was duidelijk verbaasd. Zag hij het goed? Het was duidelijk niet te zet waar hij op gehoopt had, maar wat hij hier nu van moest denken. Hij griste de pion van het bord. Mijn volgende zetten had ik allemaal al tevoren gezien en kon ik na een kleine controle snel uitvoeren. Toen veranderde de lichaamstaal van mijn tegenstander. Hij ging meer gebogen zitten, zuchtte wat, hoofd ondersteunend met zijn handen. Mijn idee had goed gewerkt: mijn stukken stonden veel actiever, zijn koning stond slecht en blokkeerde een toren in de hoek en ik kon zelfs een pion terug winnen. Uiteindelijk won ik de partij en het was meteen het winnende punt voor ons team.

Op de terugweg naar huis had ik een euforisch gevoel. Ik had weer zin gehad in het schaken en ik had gewonnen! In het voorjaar had ik nog getwijfeld of 'het gevoel' voor het spel er nog wel was en of het ooit echt zou terugkomen. Een half jaar afstand heeft geholpen: ik kan er nog echt plezier aan beleven. Ik heb het spel gemist.