Gisteren was ik met S. en een groepje jongens naar een jeugdschaaktoernooi in Den Bosch. Ik behoorde niet tot de leiding, ik was slechts een vader die ook meeging en die niet te beroerd was om ondertussen ook een oogje in het zeil te houden.

Na een vermoeiende dag schaken werden de jongens baldadig in de trein. De leidster zat ver weg en de andere begeleider verstopte zich achter een krant. Dus stond ik maar op om de jongens tot de orde te roepen. Jongens, houdt het gezellig, maar zorg dat de overige reizigers in de trein er geen last van hebben.

Dat ging even goed, maar vervolgens moest ik een jongen even ergens anders plaatsen en probeerde ik naar de rest strenger over te komen. Het leek te werken totdat één jongen de grenzen ging verkennen. Opnieuw ernaar toe. 'Maar dat maakt geen geluid, daar heeft toch niemand last van?' 'Nee, maar IK heb er last van en van het één komt het ander en dat wil ik niet'. Concreet en een ik-boodschap, zo heb ik het geleerd.

Tot mijn verbazing werkte het. Misschien wel iets te goed, want de jongens gingen nu met zijn allen stil en glimlachend mij aanstaren. Ik kon er alleen maar om lachen. Zo had niemand last van ze en hadden zij toch lol.