In hoofdstuk XXV van de Mahavamsa. De grote kroniek van Lanka wordt verhaald hoe koning Dutthagamani alle vijanden (de Damilas) verslaat en het eiland verenigt onder zijn heerschappij.

En dan, gezeten op het terras van zijn koninklijke paleis, prachtig versierd en verlicht met lampen met geurige olie, doortrokken van wierook, rustend op zijn mooie, zachte bed, bedekt met kostbare kleden, temidden van al zijn als nimfen verkleede danseressen, dacht hij terug aan de overwinning en hoe groot deze ook was, er was geen vreugde in zijn hart omdat hij dacht aan de miljoenen mensen die daarbij waren omgekomen.

Wat een zak, dacht ik toen. Eerst jaagt hij miljoenen over de kling en vervolgens gaat hij zielig zitten doen in zijn paleis. Maar voorwaar, enkele arahats hebben zijn gedachten opgevangen en komen door de lucht aanvliegen (jawel!) om de koning te troosten:

'Uw weg naar de hemel is door deze daden niet afgesneden. Slechts anderhalve man hebt ge gedood, o heer der mensen. De ene (de hele) had zijn heil gezocht in de Drie Juwelen, de andere (de halve) was enkel nog maar gaan leven naar de vijf geboden. De rest waren ongelovigen en mensen van kwade wil; eigenlijk waren het dieren. Maar wat u betreft: gij zult op velerlei wijze de Leer van de Boeddha in volle glorie laten schijnen. Daarom, o heer der mensen, verjaag die zorgen uit uw hart.'

Zo, denk je dan, dat zijn dan arahats, mensen die de hoogste staat van verlichting hebben bereikt en klaar zijn om het nirvana in te gaan. Wat zeggen zij eigenlijk? Kom op koninkje, maak je niet zo druk, het waren toch maar ongelovigen die je hebt omgebracht. En het helpt:

Aldus door hen aangespoord, vond de grote koning troost. Nadat hij afscheid van hen had genomen en hun toestemming gegeven had om te vertrekken, legde hij zich neer en dacht: zonder de broederschap zul je geen maaltijd nuttigen. Zo hebben onze vader en moeder ons plechtig laten beloven toen wij als kinderen voor het eerst vast voedsel kregen. Heb ik ooit iets gegeten zonder het ook aan de broederschap te geven? Toen viel het hem in dat hij die morgen, zonder er ook maar één ogenblik bij na te denken, pepers gegeten had bij de maaltijd, zonder daarvoor iets voor de monniken over te laten. En hij dacht: hiervoor zal ik boete moeten doen.

Kijk, zo gaat dat. Op de ene bladzijde voelt de koning verdriet om de vele mensen die in zijn naam vermoord zijn, op de volgende bladzijde maakt hij zich druk over het feit dat hij geen pepers gedeeld heeft met de monniken! 't Is ook overal hetzelfde, zelfs in het boeddhisme.

Mahavamsa. De Grote Kroniek van Lanka, 194-195