Hoe mijn belangstelling voor filosofie begonnen is weet ik nog. Ik moet een jaar of veertien, vijftien geweest zijn toen ik in de openbare bibliotheek aan de Wirdumerdijk in Leeuwarden voor de eerste maal op zoek ging naar boeken over filosofie.

Ongetwijfeld was mijn belangstelling gewekt door Richard Wagner. In die tijd was ik helemaal geobsedeerd door de muziek en het leven van deze componist. Op een dag heb ik besloten dat ik ook alle boeken wilde lezen die Wagner had gelezen. Wagner was naar eigen zeggen zeer beïnvloed door het boek Die Welt als Wille und Vorstellung van Arthur Schopenhauer. Of ik dat boek toen op de afdeling 'filosofie' gevonden heb, dat kan ik me niet herinneren. Ik heb in mijn jeugd geprobeerd Die Welt te lezen in het Duits, maar het was te moeilijk.

Wel herinner ik me een ander boek. Titel en schrijver ben ik kwijt, maar het ging over het Duits idealisme. Waarom ik dat boek uitkoos is me onduidelijk. Wellicht had ik in een kaartenbak gezocht op een onderwerp en was ik op dat boek gestuit. Ook dat boek heb ik niet uitgelezen, maar het is me bijgebleven door één zinsnede. De exacte zin kan ik niet meer boven halen, maar het was een opvatting van Nietzsche. Het kwam erop neer dat filosofie het durven twijfelen was, het durven bevragen van zogenaamde onbetwistbare waarheden.

Het sloeg in als een bom en sindsdien heb ik belangstelling voor filosofie en voor Friedrich Nietzsche in het bijzonder. Het was het begin van mijn intellectuele pubertijd.