De verontrustende gedachte kwam driemaal in korte tijd bij mij op.

Afgelopen zondag werd de verjaardag van mijn zwager gevierd. "Tweeëndertig ben je geworden?" "Ja, tweeëndertig ...". Wat jong ben je eigenlijk nog dacht ik toen, om me vervolgens te realiseren dat ik zelf slechts zes en een half jaar ouder ben. Mezelf oud vinden, dat is niets voor mij. Al jaren vier ik mijn verjaardag niet, onder andere omdat ik niet het gevoel heb ouder te worden. Of je nu eenendertig, vierendertig of zevenenderig wordt, het komt allemaal op hetzelfde neer. De laatste grote psychologische cesuur die ik, terugkijkend, ervaar is die van het vaderschap. Toen was ik negenentwintig.

De tweede maal was bij het lezen van een artikel van Arnold Heumakers in Literatuur [De Groene Amsterdammer] en wel daar waar hij schrijft:

De weerslag ervan vinden we in de literaire praktijk waarmee de romantische literatuurgeschiedenis nu geen raad weet: schrijvers en dichters formeren zich niet meer tot een avant-garde, ze komen niet meer met manifesten of onderscheiden poëtica's, ze bekommeren zich niet meer om hun plaats in de geschiedenis, maar stellen zich stuk voor stuk op als soevereine, democratische individuen – net als hun publiek. Wat dat betreft is het verschil tussen schrijvers en lezers een stuk kleiner geworden. Je zou zelfs kunnen spreken van een reïntegratie van literatuur en samenleving, daar waar de romantische orde juist het onderscheid placht te cultiveren.

Arnold Heumakers Slaapwandelen in de letteren
In: Literatuur [De Groene Amsterdammer] 2006/1, 14

Verdomd dacht ik, dat ik me dat niet eerder gerealiseerd heb, ik ben volstrekt ouderwets met mijn romantische opvattingen over literatuur. Daarom vind ik zo weinig literatuur in de boeken die tegenwoordig verschijnen. Daarom wordt het literaire wereldje bevolkt door literaire charlatans die mediageil hun schrijfsels op de markt dumpen. Literatuur is net zo plat geworden als de samenleving waaruit het voortkomt.

Mijmerend over het bovenstaande besloot ik gisteren het pamflet Modern Dédain van Désanne van Brederode aan te schaffen. Nog gisteravond had ik de zevenenveertig pagina's gelezen. Het is ongenuanceerd en polemisch, zoals een pamflet behoort te zijn. Ik herken de emotie van waaruit Van Brederode schrijft maar al te goed. Beeld van mijn moeder: "jwl, je moet niet altijd zo moeilijk praten tegen mensen, je moet je aanpassen aan hun niveau" en het beeld van het oud-klasgenootje van de lagere school: "jwl, het was je eigen schuld dat je zoveel alleen was, jíj wilde niet voetballen, jíj moest zonodig piano spelen en boeken lezen, terwijl wij toch altijd ons best gedaan hebben om je bij ons groepje te betrekken". Het was een onbeduidende zin in het geheel, maar zo van toepassing, dat ik ineens de kloof zag die er al zo vele jaren lag. Na het lezen van "Je moet je schamen als je niet weet hoe een MP3-speler werkt, maar van een ander mag je niet verlangen dat hij zich schaamt als hij niet weet wie Erasmus is." (blz. 34) Ík weet niet hoe een MP3-speler werkt, dacht ik, maar ík weet wel wie Erasmus is. En daar was hij: De Kloof. Misschien wist ik wel dat de kloof er was, maar niet dat hij zo diep en breed was. Ik word oud. Of ouderwets. Zomaar op een dag. Mijn lichaam wordt elke dag een stukje ouder, maar mijn gedachten werden het ineens.

Maar wat een rust en stilte aan deze kant van de kloof. Soms kijk ik met zo'n verrekijker waar een muntje in moet naar de overkant van de kloof. Wat een drukte, wat een gekrakeel, wat een gedoe. Eigenlijk ben ik best blij met die kloof. Soms.