Sommige koncerten ben ik snel vergeten, maar andere hebben een stevige herinnering achtergelaten. Ik kan me nu ongeveer achttien jaar later nog herinneren hoe ongelofelijk dat koncert was. Niet alleen wat er klonk, maar vooral de stilte in de zaal. Men kon een speld horen vallen. In die tijd huldigde ik nog de vage opvatting dat goede muziek niet de stilte en leegte opvult, maar deze juist accentueert en laat horen.

Toch ben ik nooit een grote fan van de componist Arvo Pärt geweest. Op mij maakt zijn zogenaamde spiritualiteit een gekunstelde indruk. Vele mensen vinden zijn muziek meditatief, rustgevend, ik word er doodnerveus van. Niet omdat ik niet tegen stilte zou kunnen (integendeel!), maar omdat ik niet het gevoel krijg dat de muziek van Pärt oprecht is. Hij is een componist die als een circusaapje steeds zijn kunstje vertoond en de mensen maar klappen. Dergelijke muziek is vaak aan mode onderhevig, korte tijd populair en verdwijnt dan weer in de grote grijze muziekdepots.

Maar misschien werkt zijn muziek beter in de koncertzaal dan op een geluidsdrager, want voor de Johannes Passion – het werk dat indertijd geprogrammeerd stond – maak ik nog steeds een uitzondering. In toenemende mate aarzelend, dat wel, want ik meen ook in dit stuk steeds meer dat kunstmatige te horen dat me ook zo stoort in ander werk van Pärt.

De bezetting van de Johannes Passion is klein. Een orgel, viool, hobo, fagot en cello zijn de instrumenten die op één of andere manier samenvallen met de solisten. Zes zangers, waarbij de Jezus en de Pilatus verbonden zijn met het orgel. De overige vier zangers (sopraan, alt, tenor en bas) vervullen in wisselende samenstelling met de andere instrumenten de overige personages, waarbij de evangelist natuurlijk de belangrijkste is. Dan is er nog een klein koor dat het volk een stem moet geven. Dat is alles.

Het mooiste aan het stuk is eigenlijk het begin en het einde. Het begin bestaat uit een reeks dalende akkoorden. In deze akkoorden zitten ongetwijfeld (ik heb het nooit uitgezocht, maar mijn musicologische intuïtie zegt me dit) al alle motieven en intervallen die voor de rest van het stuk belangrijk zijn. Die rest maakt daardoor dan ook een hele schematische en 'ingevulde' indruk. Alsof er een raster over de tekst gelegd wordt en wat rest is: nootjes invullen. Tot aan het slot dat het begin als het ware spiegelt: stijgende akkoorden die als een climax uitkomen in een prachtig grote terts akkoord.

Het geheel laat zich nog het best omschrijven als een zacht kabbelend meertje. Je wordt als luisteraar zacht heen en weer gewiegd. De golfjes zijn kleine muzikale frasen met veel stilte ertussen. De frasen bestaan uit stijgende en dalende intervallen, die een patroon doen vermoeden. Wellicht zit er een prachtig concept achter, maar na een aantal keren weet ik het wel. Natuurlijk varieert Pärt wel, door bijvoorbeeld ineens een noot lang aan te laten houden, maar vervolgens doet hij dit zo vaak, dat het een maniertje wordt.

Ik heb veel nagedacht over wat nu eigenlijk het probleem is van deze muziek en vele andere zogenaamde spirituele muziek. Waarom heb ik er bijvoorbeeld bij een zeer gelovig katholiek als Olivier Messiaen geen last van? Waarschijnlijk, omdat Messiaen ten alle tijden bezig was op de eerste plaats muziek te maken. Net als Bach wilde Messiaen ter ere van God goede en mooie muziek maken. Bij Pärt heb ik echter de indruk dat hij muziek ondergeschikt maakt aan een spiritueel idee. Men neme wat Middeleeuwse polyfonie en men neme wat getallensymboliek, men vergeet vooral geen stilte: sober en leeg moet het klinken. Dat verwerkt men tot een schema en invullen maar! Het is vooral een buiten-muzikaal gegeven dat de muziek interessant en boeiend zou moeten maken. Zodra men geen boodschap heeft aan dat buiten-muzikale gegeven blijft er niets over.

En toch ... verdorie ... wat was ik geraakt daar in die koncertzaal. Of kwam het door de zangers en muzikanten die het stuk met zoveel spanning en beheersing speelden?