Anselm Friedrich Feuerbach (1829-1880)
Paolo i Francesca (1864)

Guido da Polenta, heer van Ravenna, had lang oorlog gevoerd met Malatesta, heer van Rimini, maar uiteindelijk was de vrede weer getekend. Om de vrede stabieler te maken werd besloten om de schone Francesca, dochter van Guido da Polenta, te laten trouwen met Gianciotto, de oudste zoon van Malatesta. Echter, Gianciotto was lelijk en mismaakt en omdat men bang was dat Francesca het huwelijk zou weigeren, zond men de jongere broer van Gianciotto, Paolo, naar Ravenna met het mandaat om Francesca te trouwen in naam van Gianciotto.

Paolo was een aantrekkelijke en vriendelijke jongen en Francesca werd ogenblikkelijk verliefd op hem. Het verraderlijke huwelijkscontract werd getekend en Francesca kwam naar Rimini. De ochtend na het huwelijk kwam Francesca achter het bedrog toen ze Gianciotto zag opstaan in plaats van Paolo.

De liefde tussen Paolo en Francesca bleef en heimelijk zagen ze elkaar wanneer Gianciotto voor zaken de stad uit was. Een dienaar van Gianciotto verraadde hen en op een dag verraste Gianciotto het stel. Paolo die wilde vluchten bleef met zijn jas achter een uitstekend stuk metaal hangen. Gianciotto met zijn rapier in de hand rende op hem af om hem te doden, maar Francesca sprong tussen de beide mannen en ving het wapen op. Woedend over dit ongeluk waarbij hij zijn vrouw doodde, trok Gianciotto het wapen terug en doodde ook zijn broer. De twee geliefden werden in hetzelfde graf begraven.

Weer wendde ik mij tot beiden en ik zeide:
'Francesca, de aanblik van uw martelingen
doet mij van smart en mededogen schreien.
Maar zeg mij toch: ten tijde der zoete zuchten,
waaraan en hoe deed u de liefde kennen
uw weiflende begeerten en verlangens?'
En zij tot mij: 'Daar is geen groter lijden
dan aan het uur der vreugd terug te denken
in 't uur der smart; dit weet ook hij, uw meester.
Maar voelt ge in u zo vurig een verlangen,
te kennen de eerste wortel onzer liefde,
dan zal ik doen als hij, die spreekt in tranen.
Wij lazen op een dag voor ons genoegen
van Lanceloot, hoe hem de liefde omstrikte;
we waren heel alleen en zonder argwaan.
De lezing van het boek deed meerdre malen
ons de ogen opslaan en van kleur verandren;
maar één plaats was 't, die ons heeft overwonnen.
Want toen we lazen hoe 't begeerde lachje
werd weggekust door zulk een vurig minnaar,
bedekte hij, die nooit mij wordt ontnomen,
al bevend mij de mond met zoete kussen.
Een koppelaar was 't boek, maar ook zijn dichter.
Niet verder hebben wij die dag gelezen.'

Dante Alighieri De Goddelijke Komedie
Pelckmans Wereldbibliotheek