Mensen 'zijn' slechts eigenlijk en werkelijk mensen voor zover zij deelnemen aan een sfeer: een met anderen of iets anders gedeelde, intieme ruimte, die zich ten opzichte van wat daarbuiten is afsluit en waarin de 'bewoners' het buiten op een eigen, creatieve manier ervaren. De coëxistentie gaat aan de existentie vooraf. De oervorm van de sfeer is de schuimbel, de vorm die bestaat bij de gratie van een spanningsevenwicht tussen de binnen- en buitenruimte. De bel is het archetype van een immuunsysteem. Mensen hebben nog nooit direct in verhouding tot de natuur of tot de 'naakte feiten' geleefd, maar altijd als 'zwevende wezens' in een membraanachtig omhulsel, waarbij zweven betekent: 'van gedeelde stemmingen en van gemeenschappelijke veronderstellingen af te hangen.' Deze sfeer is een in en door het menselijk samenzijn zelf voortgebrachte 'eigen ruimte' waarin een subjectiviteit tot stand komt en de buitenwereld op een van binnenuit bepaalde manier ervaren wordt. 'Zodoende zijn de mensen ten dieptste en uitsluitend de scheppingen van hun eigen interieur en de producten van de werkzaamheden die ze verrichten aan de immanentievormen die hun onvervreemdbaar eigendom is. Ze gedijen enkel in de broeikas van hun autogene atmosfeer.' [S 35]

Sjoerd van Tuinen Sloterdijk, 54