de eeuwige terugkeer (2)

Wat mij toch elke keer weer verbaasd, of beter: wat mij steeds meer verbaasd, is dat hij nog maar vierendertig jaar was toen hij ontslag nam van de universiteit in Basel. Hij werkte daar al tien jaar! Op vierentwintigjarige leeftijd was hij gevraagd om er als filoloog te komen werken, nog niet eens afgestudeerd. In die tien jaar had hij al diverse publicaties op zijn naam staan die al het nodige stof hadden doen opwaaien. In die tien jaar was ook zijn kwaal, waar hij als kind soms al last van had, steeds erger geworden. Wat zijn kwaal precies inhield, daar zijn de onderzoekers het nooit over eens geworden. Over de symptomen schrijft Nietzsche geregeld in zijn brieven en komen kortweg hierop neer: ernstige hoofdpijnen, braken en pijn aan de ogen, soms dagen achtereen. Nietzsche zal de rest van leven zoeken naar gunstige meteorologische omstandigheden en naar een dieet die zijn kwaal minder frequent maakt.

Zijn ontslag luidt ook een geheel ander leven in. Niet alleen geeft Nietzsche zijn baan op, maar ook zijn vaste woon- en verblijfplaats. Vanaf zijn ontslag moet hij leven van een klein pensioen en wat geld uit een erfenis. Hij is voortdurend op reis, van hotel naar hotel, soms een tijd bij een vriend of vriendin, dan weer bij zijn moeder. Het is het bestaan van een zwerver, altijd maar op zoek naar een plek waar zijn gezondheid beter zou kunnen worden.

Dit leven van Nietzsche en zijn boeken vind ik mateloos intrigerend. Het duurt nog geen tien jaar. Aan het eind van 1888 en begin 1889 is zijn kwaal zo verwoestend geweest dat Nietzsche op een dag in Turijn instort, zijn hersens zijn opgehouden met functioneren, er zal geen zinnig woord meer over zijn lippen komen. Uiteindelijk leidt hij een vegetatief bestaan tot op de drempel van de twintigste eeuw zijn hele lichaam ermee ophoudt.

846. An Carl Burckhardt in Basel

Basel d. 2. Mai 1879.
Hochgeachteter Präsident!

Der Zustand meiner Gesundheit, derentwegen ich schon mehrere Male mich mit einem Gesuche an Sie wenden musste, lässt mich heute den letzten Schritt thun und die Bitte aussprechen, aus meiner bisherigen Stellung als Lehrer an der Universität ausscheiden zu dürfen. Die inzwischen immer noch gewachsene äusserste Schmerzhaftigkeit meines Kopfes, die immer grösser gewordene Einbusse an Zeit, welche ich durch die zwei- bis sechstägigen Anfälle erleide, die von neuem (durch Hrn. Prof. Schiess) festgestellte erhebliche Abnahme meines Sehvermögens, welches mir kaum noch zwanzig Minuten erlaubt ohne Schmerzen zu lesen und zu schreiben — diess Alles zusammen drängt mich einzugestehen, dass ich meinen akademischen Pflichten nicht mehr genügen, ja ihnen überhaupt von nun an nicht nachkommen kann, nachdem ich schon in den letzten Jahren mir manche Unregelmässigkeit in der Erfüllung dieser Pflichten, jedes Mal zu meinem grossen Leidwesen nachsehen musste. Es würde zum Nachtheile unserer Universität und der philologischen Studien an ihr ausschlagen, wenn ich noch länger eine Stellung bekleiden müsste, der ich jetzt nicht mehr gewachsen bin; auch habe ich keine Aussicht in kürzerer Zeit auf eine Besserung in dem chronisch gewordenen Zustande meines Kopfleidens rechnen zu dürfen, da ich nun seit Jahren Versuche über Versuche zu seiner Beseitigung gemacht und mein Leben auf das Strengste darnach geregelt habe, unter Entsagungen jeder Art — umsonst wie ich mir heute eingestehen muss, wo ich den Glauben nicht mehr habe meinen Leiden noch lange widerstehen zu können. So bleibt mir nur übrig, unter Hinweis auf § 20 des Universitätsgesetzes, mit tiefem Bedauern den Wunsch meiner Entlassung auszusprechen, zugleich mit dem Danke für die vielen Beweise wohlwollender Nachsicht, welche die hohe Behörde mir vom Tage meiner Berufung an bis heute gegeben hat.

Indem ich, hochgeachteter Herr Präsident, Sie bitte Fürsprecher meines Gesuchs zu sein, bin und verbleibe ich in vorzüglicher Verehrung

Ihr ganz ergebener

Dr Friedrich Nietzsche
Professor o.p.
(dictirt)

KSB 5, 411-412