Nee, werkelijk, ik heb me zelden zo geërgerd aan de inhoud van een boek. Het boek voelde als een familielid, zo iemand die je niet uitgekozen hebt, maar geregeld in je nabijheid is omdat er een bloedverwantschap bestaat; vrienden kies je, familie heb je. En dit familielid is bepaald niet dom en neemt op verjaardagsfeesten de wereldproblematiek door vanachter een slok slappe koffie en een slagroomtaartpunt, onderwijl de zin van het leven verklarend. Vertel hem wat! Zoveel boeken gelezen in zijn leven, zoveel meegemaakt, nee heus, hij kan wat vele mensen eeuwenlang voor hem niet konden. Geen twijfel mogelijk.

Of doe ik Jan Bor nu een groot onrecht aan? Hij durft wel degelijk te twijfelen en misschien is dat het wel wat het boek, Op de grens van het denken. De filosofie van het onzegbare, in mijn ogen redt. Het heeft meer de stijl van dat familielid, niet de arrogantie.

Schreef Wittgenstein niet ergens dat, als men zijn filosofie begrepen heeft, men de trap ernaar toe kan wegwerpen? Het boek van Jan Bor is zo'n trap naar zijn eigen filosofie. Het is een persoonlijke geschiedenis van een denken, het denken van Jan Bor, in het spanningsveld tussen (de metafysica van de) westerse filosofie en zenboeddhisme. Dit gegeven trok me aan en maakte dat ik het boek wilde lezen.

De eerste ergernis betrof de schrijfstijl van Bor, die werkelijk abominabel is. Hij springt van de hak op de tak, herhaalt zichzelf voortdurend. Daarbij constateert hij ook bij herhaling dat hij zichzelf herhaalt. Hoe vaak heb ik niet zinsneden moeten lezen als ik heb het al eerder gezegd, ik zeg het nog maar eens, wat al ik eerder schreef of nogmaals (...). Ook schroomt hij niet om zelfs citaten te herhalen (ik citeerde al eerder ...). Daarbij is een omwenteling nooit gewoon een omwenteling, maar natuurlijk een radicale omwenteling, een belangrijk boek voor Bor is natuurlijk monumentaal en dat gaat maar door. Daarnaast spreekt hij de lezer aan in de tweede persoon, alsof hij voortdurend rekent op het instemmende geknik. Een enkele keer vind ik dat niet erg, maar een filosoof dat in een betoog gaat schrijven dat alles wat je erover zegt (...) inderdaad teveel [is] (124) maakt zich in mijn ogen niet erg geloofwaardig. Inderdaad? denk ik dan en waarom teveel. Je moet me overtuigen, Bor, dat gaat niet vanzelf! Dit laatste brengt bij mij op het volgende.

Als Bor beoogd heeft een filosofisch boek te schrijven, dan is het wel een heel gemakzuchtig boek geworden. Over grote onderwerpen die soms in slechts twee korte alinea's behandeld worden, wordt maar al te gemakkelijk conclusies getrokken. Hoe vaak heb ik niet in een eerste regel van een alinea het woord dus gelezen en gedacht 'hoezo Bor?, waar blijkt dat dan uit?, waar zijn je argumenten om het op z'n minst aannemelijk te maken?'. Onderwerpen waar op zich een heel boek aan gewijd zou kunnen worden, worden terloops even onderuit gehaald. Laat ik daarbij dan maar meteen vooropstellen dat hetgeen we doorgaans voor metafysica hebben gehouden, gegoochel met woorden is en nergens over gaat (130). Zo, gelul achter een gebakje op een verjaardagsfeestje, denk ik dan. Honderden jaren filosofisch denken wordt met één pennenstreek van tafel geveegd. Soms lijkt Bor het zelf wel te beseffen dat hij simplificeert: Ik ben me er uiteraard van bewust dat ik in een paar zinnen geen recht kan doen aan zo'n veelomvattende en diepgravende filosofie (150). Blijf dan van Sein und Zeit af, denk ik dan, ga een weblog schrijven, dáár mag je ouwehoeren.

Het probleem van dit boek is dat het aan de ene kant filosofisch een nieuwe metafysica wil omschrijven en aan de andere kant een intellectuele autobiografie wil zijn. Ik krijg de indruk dat Bor zijn intellectuele leven herschrijft en presenteert om een filosofische gedachte aannemelijk te maken. Alsof een schrijver een roman gaat schrijven om een wetenschappelijke stelling te bewijzen. Bor past zijn trap naar boven steeds aan om maar op het punt uit te komen waar hij wil uitkomen. Te weinig wetenschappelijke distantie, te weinig falsificatie, grabbelen in filosofische en zenboeddhistische lectuur en er alleen maar uithalen wat te pas komt. Had er niet iemand Bor kunnen behoeden voor dit boek?

Toch was er een moment in het boek dat maakte dat ik al dit bovenstaande Bor vergeef. Een kleine passage, misschien zelfs één woord. Op bladzijde 238, bijna aan het einde van het boek schrijft hij ineens:

Inderdaad, we zijn in de grond van de zaak een raadsel voor onszelf. En de dingen zijn, niet in hoe of wat ze zijn (in het begripslabel dat we eraan hechten), maar in dát ze er zijn – dat wil zeggen in hun eenmaligheid, in hun aanwezigheid hier en nu, in hun niet te veralgemeniseren zijn - een even ondoorgrondelijk geheim. Dus wat is uiteindelijk het 'metafysisiche' dat er van die dingen uitgaat? Dat is dat 'niets', nu begrepen als het ongrijpbare mysterie dat in hun simpele gegeven-zijn besloten ligt. En wat blijft er uiteindelijk over van de metafysica, de wijsgerige reflectie op dat raadsel? Misschien wel helemaal niets.

Jan Bor Op de grens van het denken, 238

Die laatste zin, Misschien wel helemaal niets, en dan dat ene woord Misschien dat had ik even nodig na tweehonderd achtendertig bladzijden. Als het boek van Bor een trap zou zijn geweest, had ik 'm nu weggeworpen. Het gaat noch ergens, noch nergens over en wellicht zou Jan Bor dat als een compliment beschouwen.