Maar dat is niet het enige: aan het kwaad ontleent de literatuur op een bepaalde manier ook haar noodzaak en haar bestaansrecht. Was er geen kwaad, was de wereld in harmonie, een en al bewustzijn en groei, één volmaakt Geheel, dan hadden we geen literatuur (of kunst in het algemeen) nodig. Als medium van bewustwording maakt zij het kwaad niet alleen zichtbaar, het kwaad is tevens haar motor of, mocht men dit te sterk uitgedrukt vinden, het dient haar mede tot brandstof, zoals veel moderne schrijvers en dichters – van Baudelaire tot Bataille – altijd al hebben geweten. Tussen de wereld van het kwaad en de literatuur bestaat een heimelijke medeplichtigheid.

Arnold Heumakers Tussen fascinatie en doem
in: Literatuur [De Groene Amsterdammer] 2006/2, 46