M. (dertien maanden) houdt al hele verhalen. Geen idee wat hij allemaal wil vertellen, maar hij kan eindeloos met intonatie brabbelen. De laatste tijd komen er steeds meer herkenbare woordjes tussendoor. Papa en mama waren al langzaam maar zeker voortgekomen uit dada en we hadden ook de indruk dat een bepaalde klankcombinatie voor de moeilijke naam van zijn grote broer stond. Ondertussen zijn bal, étù (eten) en drinkù (drinken) gesignaleerd. Ziet hij door het raam het harige monster van de buren op de schutting dan is het poei! (poes). Toen hij gisteravond moe was en naar bed moest ging hij bij het woord boven zelf naar de gangdeur en bleef maar bovù zeggen. Gaat de deur open, dan loopt hij naar de trap en begint aan de beklimming van de trap (onder begeleiding natuurlijk). Ik vind het één van de mooiste tijden bij een peuter: taalontwikkeling.

Van mijn vrouw bestaat een filmpje waarop zij als peutertje te zien is. Ze draait rondjes, bukt zich en stopt een pluisje in haar mond. Dat deed ze heel vaak en het verhaal kon in de familie niet vaak genoeg verteld worden. Het is dan eigenaardig om op een dag M. precies hetzelfde te zien doen: even een paar rondjes draaien, bukken en iets van de grond in zijn mond stoppen. Hij doet het niet zo vaak als mijn vrouw vroeger, maar toch. Het is geen imitatie (mijn vrouw heeft het afgeleerd), maar zoiets zal toch niet genetisch zijn? Toeval? Of is het iets wat veel kinderen een tijdje doen?