In 1084 kreeg Bruno van Keulen een stuk land in de Franse Alpen. La Chartreuse werd het genoemd en Bruno ging er met zes anderen leven als een kluizenaar. Het klooster dat daar ontstond is nog steeds het moederklooster van de Kartuizers.

Zestien jaar na zijn eerste verzoek kreeg Philip Gröning toestemming om in het klooster te filmen. Hij ging in het klooster leven, deed mee aan de dagelijkse rituelen en volgde de monniken met zijn camera's. In 1960 was het twee journalisten nog toegestaan om in het klooster beelden te maken, maar de monniken mochten toen niet gefotografeerd worden. Het is maar de vraag of ooit weer toestemming gegeven zal worden, alleen daarom al zijn de beelden van Gröning uniek.

Hij maakte er een documentaire van, Die große Stille (in Nederland uitgekomen onder de Engelse titel Into great silence). Gisteravond had ik gelegenheid om naar deze documentaire te gaan.

In honderdzestig minuten krijgt het publiek allerlei fragmenten te zien uit het leven van kluizenaars. Afgezien van een paar fragmenten wordt er niet gesproken, ook geen voice-over, slechts stilte. Ook geen geromantiseerd beeld gelukkig. De aspecten die zo kenmerkend zijn voor de kartuizers komen aan de orde. Het leven in meditatie en gebed – afzondering, stilte en zwijgen staan voorop – wordt gedragen door de broederschap. Naast het dagelijkse koorgebed, komen ze op zon- en feestdagen bijelkaar. Ze maken een wekelijkse wandeling waarbij ze met elkaar mogen spreken, maar het verblijf in de kluis is de hoofdactiviteit.

De tijd staat stil in het klooster. Er lijkt sinds de Middeleeuwen niets veranderd, al zien we hier en daar wat elektrische apparaten. Beelden van mediterende monniken worden afgewisseld met beelden van een monnik die met een karretje het eten rondbrengt. Als in een gevangenis wordt met een sleutel een luikje in een muur geopend en het eten in de ruimte in de muur geplaatst. Dan weer zien we een monnik lezend voor het raam of een monnik die een schoenzool repareert.

Veel is ook onduidelijk. De kijker blijft met veel vragen achter en dat knaagt. Heeft Gröning niet teveel een esthetische film willen maken in plaats van een documentaire? Onmiskenbaar heeft hij een structuur in de honderdzestig minuten aangebracht, maar het had van mij wel wat explicieter gemogen. Zo krijg je als kijker geen informatie over de opbouw van een dag in het klooster. Hoe komen ze aan eten, verbouwen ze het zelf of laten ze het bezorgen. Hoe verloopt de opleiding van een novice? En zo kan ik nog wel even doorgaan. Soms lijdt de film ook aan zappend gedrag, alsof de maker bang was dat we ons zouden vervelen. Nee, van mij had het allemaal wat breder gemogen. Laat bijvoorbeeld maar een lange shot zien, minutenlang, van een gebedsdienst in plaats van steeds fragmentjes verdeeld over de film.

Al vind ik de vorm waarin Gröning zijn materiaal heeft gegoten onbevredigend, toch zijn er veel fragmenten die ik niet licht zal vergeten en maakt de film als geheel indruk. De gedachte dat er een groep mannen daar in de Franse Alpen zich afwenden van de herrie en de banaliteit van onze consumptiemaatschappij, dat ze zich nog met hart en ziel kunnen overgeven aan iets waar ik allang niet meer in kan geloven, dat ze hun bezittingen en gehechtheid kunnen opgeven voor het opgaan in hun God – die gedachte werkt bij mij geruststellend en inspirerend. Er is iets dat blijft. Seizoenen gaan voorbij, de wereld draait door, maar ergens zijn er mensen die nog vertrouwen hebben in iets dat voorbij gaat aan de waan van de dag ... en aan de waan van een weblog.