Het moet ergens in 1873 geweest zijn. Hij had een nieuwe symfonie gecomponeerd en wilde deze graag opdragen aan de Meester der Meesters. Vond de ontmoeting in Bayreuth plaats?

Er bestaat een veelzeggende afbeelding, een silhouet, van de ontmoeting. De Meester links, een fiere houding, kin op zijn opzwellende borst, hand amicaal op de schouder van zijn gast, kijkt neer op: rechts, Anton Bruckner, die zich net lijkt op te richten van een diepe buiging. Hij straalt dankbaarheid uit, dat de Meester hem toch zomaar wil ontmoeten, hem, Anton Bruckner, een nietig componistje. Ik vraag me af hoe klein Bruckner wel niet geweest moet zijn, daar Richard Wagner niet boven de 1 meter 70 uitkwam. De arrogante Wagner: groot, megalomaan hoofd op een veel te klein lichaam.

Hoe kan men zich vergissen! Toen ik net kwam kijken in de wereld van de muziek, beschouwde ik Bruckner als een strenge, oude opa, die geweldige, grootse, grootser, nog grootsere symfonieën schreef. In mijn ogen was het een man waarmee niet te spotten viel, een geweldenaar. Wat een zelfvertrouwen klonk er uit die muziek.

Ondertussen weet ik wel beter. Geen componist had een lagere dunk van zijn kunnen. Had zijn uitgever kritiek op zijn partituur, Bruckner pastte het ogenblikkelijk aan. Vond een criticus het allemaal niks, Bruckner ging snel aan de slag om het te verbeteren. Iedereen wist het beter dan hijzelf, de Meester natuurlijk het allermeest. Mocht hij zijn derde symfonie aan de Meester opdragen? Zou hij dat wel waard zijn? Of had de Meester misschien nog kritiek op zijn muziek?

De Meester nam de eer minzaam in ontvangst. Complimenteerde Herr Bruckner zelfs, noemde zijn symfonieën de waardige opvolgers van Het Genie Beethoven. Een groter compliment was niet denkbaar. Wagner beloofde dat hij zich zou inzetten voor de muziek van Bruckner. De symfonieën zouden uitgevoerd worden in zijn nieuwe theater in Bayreuth, het centrum voor de nieuwe Duitse Musik der Zukunft. Het is er nooit van gekomen.

De symfonieën van Anton Bruckner. Herfstmuziek voor mij. Muziekkathedralen worden het wel genoemd, waarmee vooral ook naar de grote vorm wordt verwezen waarin hij zijn muziek goot. Vroeger had ik altijd associaties met de schilderijen van Casper David Friedrich. Nu zie ik mezelf zitten op een herstavond in een kathedraal terwijl buiten de storm om het gebouw giert. Dan weer in een huiskamer, de luiken gesloten, buiten miezert de regen. De muziek van Bruckner kan subliem zijn en unheimlich, maar tegelijkertijd ook intiem, bescheiden en mild. Het is dit contrast dat ik zo fascinerend vind aan deze muziek. Bruckner wilde zijn als De Meester, maar was op zijn best als hij zichzelf bleef: een onzekere, vriendelijke opa die tot zijn eigen verrassing geweldige muziek kon schrijven.

bij het beluisteren van:
Anton Bruckner Symfonie nr. 8 in c
Berliner Philharmoniker olv Nikolaus Harnoncourt