U luistert naar een gesprek op de radio. Er is iets vreemds aan de hand. Zonder dat u de frequentie verandert, verandert voortdurend het onderwerp van gesprek en de stemmen. Er is geen touw aan vast te knopen. Dan gaat het over het ene onderwerp, dan weer over het andere onderwerp. Nee, er is geen ruis, soms lijkt het wel of de overgang van de ene spreker ongemerkt overgaat in de andere. Postmodern radio luisteren.

Dit is ongeveer de ervaring die ik heb bij het lezen van Stroomafwaarts langs de Donau van Péter Esterházy (verre familie van graaf Esterházy, werkgever van de componist Haydn). Het boek is als de Donau – de metafoor ligt maar al te zeer voor de hand – waarin voortdurend andere rivieren en stroompjes in uit komen. Zo heeft Esterházy allerlei geschiedenissen verweven in het boek: zijn eigen geschiedenis en dat van zijn familie, maar ook van de plaatsen die de Donau aandoet. Daarnaast wordt verwezen naar andere boeken, wellicht ook geciteerd, maar men moet als lezer van goede huize komen om dat allemaal te herkennen. Intertekstualiteit. Zo komt ineens het waanzinnige personage Effi Briest tevoorschijn, een verwijzing naar het boek van Theodor Fontane (dat ik overigens verder niet ken). Postmoderne literatuur.

Ondanks het gebrek aan houvast bij het lezen, merk ik dat het boek me boeit. Esterházy heeft toch op één of andere manier een rode draad door het boek getrokken, een rode draad die men alleen maar kan vermoeden. Laat ik schrijven: terwijl men als lezer voortdurend kopje onder gaat, ziet men boven het water nog net even de kade in de verte. Voor mij is het voldoende om verder te willen, te willen weten waar het allemaal naartoe stroomt. Ik kan me ook voorstellen dat iemand afhaakt. De kunst is om je als lezer te laten meevoeren en niet te gaan spartelen. Menigmaal zei ik tegen mezelf: concentreer je nu op het verhaal, om een paar zinnen later de draad al weer compleet kwijt te zijn.

Het regende. Bij Tuttlingen raakte ik de weg kwijt en in plaats van volgens plan de halfwassen rivier te volgen en halt te houden bij het klooster van Beuron, bij de geleerde paters die de geheimen naplozen van oude perkamenten, het schrift dat daar al van weggekrabd, afgeweekt was (als ik wil is ook dit de blik van het blinde oog van gravin Hahn-Hahn), of omhoog te kijken bij het slot van de vastberaden Wildenstein, überhaupt mijn gang te gaan, rond te hangen bij de op de knieën gedwongen rotsen van de Knopfmacherfelsen of tandenknarsend een punt te zetten achter de zogenaamde schoonheden, achter de in het gladde wateroppervlak weerspiegelende 'tegenbomen', de eindeloze stilte, de in het water hangende stammen van oeroude bomen, de gele zee van dotterbloemen, de waterzegge met zijn pijlvormige bladeren, zijn stokroosachtige bloemen, achter al dat groen: achter al dat geel, dat zilver, dat vettige, zwartige, witachtige, achter de tegen kitsch aanleunende weidsheid van het landschap, en toen bevond ik me plotseling in Messkirch. (blz. 54)

Péter Esterházy omschrijft het in een interview zo:

We lopen met allerlei flarden tekst in ons hoofd, reclameslogans, gesprekken die we opvangen op straat, versregels... Die teksten gebruiken we in onze dagelijkse gesprekken, vaak onbewust. Ik gebruik zulke teksten nadrukkelijker terwijl ze, vooral als het gaat om prozafragmenten, onherkenbaar blijven. Je voelt hooguit een soort vreemdheid, waarmee ik een bepaalde onzekerheid in de tekst heb gebouwd. Ik vind het belangrijk om de eenduidigheid te verbreken. Een van de belangrijkste kenmerken van literatuur is dubbelzinnigheid. Een gasttekst heeft vaak een interessante uitwerking op de basistekst.

Györgyi Dandoy «Mijn boeken zijn een spel»
In: De Groene Amsterdammer, 126/46, 45
(met dank aan SalamiPizzaMan voor het lenen van zijn exemplaar)

Uiteindelijk gaat Stroomafwaarts langs de Donau over De Reiziger. Niet een reis in de ruimte alleen, maar ook in de tijd. Niet alleen in de ruimte en tijd buiten, maar ook in de innerlijke ruimte en tijd. De Reiziger is ook: De Lezer. De Lezer als toerist in de belevingswereld van de literatuur.

Wat ook waar is, en dat is al snel gebleken, is dat als alles (enz.) de Donau kan zijn, dat het dan goed is als de Donau de Donau is. (...) Elke reis is een innerlijke reis, dat wil zeggen, Reiziger is op zoek naar zichzelf. Niet dat er iemand is naar wie je op zoek kunt gaan. Reiziger is verplicht geen individualiteit te hebben of wie dan ook te zijn, dat wil zeggen, hij behoort te zwalken tussen het iemand-zijn en het niemand-zijn, hij behoort het oneindige te zijn, of schijnheiliger gezegd het bestaande, de vorm te zijn, een krat, een koffer, een kerker, met huid en haar en sokken en bajesklant en al.

Péter Esterházy Stroomafwaarts langs de Donau, 36