Een jaar geleden schreef ik een log over de historische uitvoeringspraktijk. Een fragment daaruit: Natuurlijk was er veel kritiek: de musici beheersten de instrumenten nog niet voldoende, ze speelden vals en ongelijk, de jongetjes in de Mattheüs zouden te jong zijn om te begrijpen wat ze zongen ... Dat laatste hoor ik wel vaker. Het is gebaseerd op een negentiende eeuwse opvatting van muziek, dat grofweg inhoud dat de musicus zich moet inleven, moet proberen de componist te begrijpen (en dan natuurlijk vooral het leed van de componist) en moet zijn emotie in de muziek leggen. Men kan zich niet voorstellen dat het in de tijd van Bach anders was, want zou dat niet emotieloze, verkilde muziek opleveren?

In de tijd van Bach was musiceren veel meer een voordrachtskunst, een vorm van retoriek zo u wilt. Zoals het voorlezen van een boek een kunst kan zijn: tempo, timing, dynamiek, articulatie enz. Daarnaast bestond in de barok de affectenleer. Vele moderne luisteraars zullen het intuïtief nog wel aanvoelen, maar een luisteraar in de 18e eeuw herkende deze muzikale formules ongetwijfeld heel goed. Het komt erop neer dat gevoelens worden uitgedrukt door herkenbare muzikale middelen, een toonsoort of soms zelfs een instrument. Versimpeld voorbeeld: als men smart wil uitdrukken dat gebruikt men een dalende reeks halve tonen in een langzaam aarzelend tempo (als tranen over een wang). Zoals in de beroemde aria uit Dido and Aeneas van Henry Purcell: When I am laid in earth, May my wrongs create No trouble in thy breast; Remember me, but ah! forget my fate. Deze ander opvatting van muziek uitvoeren staat emotie bepaald niet in de weg.

Dat een jongetjessopraan te jong zou zijn om aria's in de Mattheüs Passie te zingen, omdat hij nog geen 'volwassen gevoelens' zou kennen is dus niet relevant. Hij moet alleen zijn vak beheersen. Ergo, er is een sterk argument om juist een jongetjessopraan te gebruiken. Wie de teksten van de aria's uit de Mattheüs leest, zal opmerken dat – in de geest van de affectenleer – de verschillende stemmen (bas, tenor, alt, sopraan) verschillende karakters uitbeelden. Zo valt op dat de teksten in de sopraanaria's dicht bij een kinderlijk naief geloof staan, voor wie Jezus een vaderfiguur is.

Persoonlijk maakt het mij niet zoveel uit of een jongetje de aria's zingt of een vrouw. Bach beschikte slechts over jongens en het was in die tijd ook volstrekt normaal. Tegenwoordig zijn jongens die de aria's kunnen zingen schaars. Toen Nikolaus Harnoncourt in 1970 pionierde in de historische uitvoeringspraktijk en de Mattheüs opnam, beschikte hij over een goede jongenssopraan. In Aus Liebe will mein Heiland sterben neemt Harnoncourt het tempo niet te laag, wat kan samenhangen met de mogelijkheden van de jongen. De begeleiding bestaat uit een traverso (houten dwarsfluit) en twee hobo's (wellicht twee hobo da caccia's). Een lage bas ontbreekt, Jezus is immers gevangen genomen, de basis is weggevallen en hij hangt als het ware al tussen hemel en aarde. Men kan horen dat men de authentieke instrumenten nog moet leren ontdekken, het klinkt allemaal nog zeer ongepolijst. Dit in tegenstelling tot de versie van dezelfde aria in de mooiste opname van de Mattheüs die ik ken (Philippe Herreweghe 1985(!)). Hier ligt het tempo wat lager, de klank van de instrumenten is mooier, Barbara Schlick beschikt over meer zangtechniek. Of verbeeld ik me dat Schlick ook wel wat jongensachtig klinkt?